Wie wat waar-heid
Is de (huidige) economische wetenschapsbeoefening wel (voldoende) gericht
op de waarheidsvinding ? G. A. Reuten werpt die oude vraag weer eens op
en suggereert tegelijkertijd een ontkennend antwoord. (1)
(2)
Kritiek op de economische wetenschap weerspiegelt het algemeen onbehagen.
Bij de oliecrisis van 1973/74 stonden economen vaak met de mond vol tanden,
en het publiek, dat voorheen nogal op hen was gaan vertrouwen, heeft sindsdien
vooral argwaan.
Sleutelcitaten uit Reuten’s artikel zijn mijns inziens:
-
Openingszin: "Veel belangrijke politieke beslissingen worden
onderbouwd met argumenten die ontleend zijn aan de economische wetenschap."
-
"Hoe serieus kunnen we bouwen op de economische wetenschap
zoals die onderwezen wordt aan onze universiteiten ?"
-
"Waaraan ontlenen we de stelligheid van (die) economische
argumenten ?"
-
"Economen geven zelden een methodologische verantwoording
van hun werk."
-
"Economen onderkennen, zoals gezegd, dat het theoretische
onderzoek niet empirisch wordt getest, en dat het empirische onderzoek
(correlatievinding) niet theoretisch gefundeerd wordt. Maar ze zijn ook
geneigd om eventuele verwijten daaromtrent af te wimpelen."
-
"Waarom vatten economen hun werk niet in termen van waarheid
en waarheidsvinding ? (...) De reden ligt in de mentaliteit van de econoom
die aangekweekt is door de overheersende structuur van de economische theorie
zoals deze vooral de afgelopen vijftig jaar vorm kreeg: axiomatische analyse.
(...) Hierom ligt ‘waarheid’ zo ver van het bed van economen."
-
"Garanderen deze methodologische criteria, het hoge woord
moet er nog eens uit, waarheidsvinding of iets van die strekking, bij voorbeeld
inzicht of begrip ? (..) Maar als economen niet uit zouden zijn op waarheidsvinding,
dan zal toch beargumenteerd moeten worden waartoe de genoemde criteria
dan wel dienen. Om een gilde in stand te houden?"
-
"(...) een overmatig accent op consistentie verhindert vernieuwing.
(...) Het grote probleem van het plausibiliteitscriterium is zijn conservatisme.
Er is wellicht ruimte voor kleine afwijkingen van de vigerend theorie,
maar niet voor fundamenteel afwijkende visies."
-
Eindalinea: "Veel economen zijn zich er wel van bewust dat
de onderzoeksresultaten niet harder zijn dan de gehanteerde vooronderstellingen
en, in geval van empirisch onderzoek, niet harder dan de statistische betrouwbaarheid.
Maar als zij van mening zijn dat de economische argumenten die in de politiek
gehanteerd worden met deze kwalificaties niet sporen, dan zijn zij vanuit
hun maatschappelijke verantwoordelijkheid gehouden om tegen die argumentaties
doorlopend protest aan te tekenen. Aan dat protest ontbreekt het. Wie zwijgt
stemt toe ?"
Het door Reuten aangedragen bewijsmateriaal stemt op het eerste gezicht
somber. Bij hiernavolgende evaluatie blijkt het echter - ook al valt er
veel te verbeteren - allemaal zo slecht nog niet.
Economie is m.i. een wetenschap, en dan per definitie waarheidsgericht.
De vraag naar het waarheidsgehalte wordt niet alleen met regelmaat gesteld,
hij wordt bovendien meermalen per dag gesteld. De vragen naar de kwaliteit
van het bewijsmateriaal en de betekenis daarvan in termen van de verschillende
theorieën zijn op ieder moment aan de orde. Er is derhalve een inherente
dynamiek die voortdurend zorgt voor verbetering. Daarbij, ook andere vakgebieden
hebben hun problemen en de economie doet ‘t zo slecht nog niet. (3)
In het navolgende gaan we als volgt te werk. Eerst breiden we de aandacht
uit naar de verschillende actoren bij de waarheidsvinding. Vervolgens herformuleren
we de argumentie van Reuten. Daarop bekijken we een treffend voorbeeld
van hoe economen slecht voortbouwen op het werk van anderen: de Tinbergen
Two. Vervolgens beoordelen we het Popperiaanse falsificationisme, en
verduidelijken we de relatie tussen definitie en werkelijkheid. Ter afronding
een woord over perspectivische vertekening.
Extern: verschillende actoren
In citaat 1 is het woord ontleend belangrijk. Wetenschap wordt
dan gezien als een abstract geheel van kennis, op te vatten als het product
van een productieproces en niet het proces zelf. Voor dit product bestaan
vraag en aanbod. Universiteiten zijn producenten en aanbieders. Daartegenover
staan de vragers en gebruikers: de beleidsmakers.
Citaat 2 was: "Hoe serieus kunnen we bouwen op de economische wetenschap
zoals die onderwezen wordt aan onze universiteiten ?"
Deze vraag is intern wetenschappelijk gericht. In de rest van het artikel
blijkt Reuten de mores van de wetenschappers onderling te bespreken. Hij
richt zich alleen op de producenten van wetenschap. Het gaat hem vooral
om de waarheidsvinding.
Zijn openingsbetoog t.a.v. het beleid is voornamelijk een binnenkomer,
ook al zit hier zijn fundamentele zorg. Het is inderdaad de winst van de
moderne tijd dat de ivoren toren in discrediet is geraakt. Voor Reuten
verdient het interne gebeuren aandacht juist door het belang van het externe
gebruik:
-
Wetenschap dient toch ergens toe, wordt toch ergens voor gebruikt ?
-
De wetenschapper heeft toch een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid
? Op indirecte wijze kunnen de producenten verantwoordelijk geacht worden
voor de fouten gemaakt door de gebruikers.
Echter, deze aanpak om de interne problematiek centraal te stellen en de
externe relaties alleen aan te stippen heeft ook nadelen. Niet alleen komt
dit externe niet goed uit de verf, maar juist daardoor geldt dat ook voor
het interne. Het was vruchtbaarder geweest de verschillende actoren te
onderscheiden, en vervolgens de relaties te geven.
Te onderscheiden zijn bijvoorbeeld wetenschappers, de politici en de
(leken-) pleitbezorgers (advocaten, belangenbeharigers), en de verschillende
mogelijke rolverstrengelingen van deze drie groepen: politieke ondernemers
en de adviseurs/pleitbezorgers op inhoudelijk gebied of meer klantgericht.
(4)
Met het onderscheid naar verschillende actoren is het duidelijk dat
de universiteiten maar beperkt relevant zijn voor het beleid. Voor economische
beslissingen is de voorbereiding op de ministeries en op bijvoorbeeld het
Centraal Planbureau veel belangrijker.
Citaat 3 vraagt: "Waaraan ontlenen we de stelligheid van (die) economische
argumenten?" Juist bij zo’n vraag is het niet verstandig om iedereen op
een hoop te vegen. Het zijn met name de beleidsmakers en beleidsonderbouwers
die kiezen voor ‘stelligheid’ cq. termen als ‘het minst slechte scenario’
gebruiken. Het is evident dat men universiteiten niet verantwoordelijk
kan stellen voor de aannames die de ministeries (vaak noodgedwongen) maken.
Door van de ministeries te abstraheren maakt Reuten het zich eigenlijk
gemakkelijk; te gemakkelijk bereikt hij de conclusie dat er eigenlijk weinig
deugt. (5)
Voor de relatie tussen economen en beleidsmakers zijn ook de publieksmedia
van belang. Met deze media is iets bijzonders aan de hand. Ze besteden
veel aandacht aan economie bijvoorbeeld via katernen Bedrijf & Economie
en dergelijke. Economen ‘van naam’ hebben hun columns (vandaar vaak ook
hun ‘naam’). Daarnaast hebben de meeste publieksmedia een wetenschapsrubriek
voor onderwerpen uit de natuurkunde, psychologie en dergelijke. In die
wetenschapskaternen krijgt de economische wetenschap echter zelden aandacht.
Redacties denken vermoedelijk dat al zoveel aandacht aan economie gegeven
wordt dat het niet zinvol is om dit ook nog in het wetenschapskatern te
doen. De economische rubrieken besteden echter weinig aandacht aan de ontwikkelingen
in de economische wetenschap. Het gevolg is dat het publiek daarover geen
systematische informatie krijgt. Wel krijgt ieder ruimschoots het falen
van economieën en het economisch gesteggel van politici voorgeschoteld.
Aldus is er een voedingsbodem voor onbegrip van en aversie voor de economisch
wetenschap. In het debat tussen wetenschappelijke economen en beleidsmakers
krijgen vaagheid en misverstand aldus meer kans dan verstandig. Het lijkt
me dan ook niet geheel correct dat Reuten retorisch vraagt: "Wie stemt
zwijgt toe ?" Immers, menig wetenschappelijk econoom hééft
wel eens wat gezegd. Er zijn echter systematische omgevingsfactoren waardoor
ook belangrijke opmerkingen niet door die omgeving opgepakt worden. Het
zou ook anders kunnen. Wellicht moeten alle economische columnisten eens
diepgaand met hun redacties gaan praten. Neem als voorbeeld de proefschriften
die bij het Tinbergen Instituut verschijnen. Voor een aantal daarvan is
het grote publiek vermoedelijk wel gediend met samenvattingen op toegankelijk
niveau. Het door Reuten genoemde proefschrift van Boumans kan ook in deze
context andermaal genoemd worden.
Door deze omgeving erbij te betrekken krijgen we helderder zicht op
het interne.
Herformulering: intern wetenschappelijk
De volgende stap is het interne gebeuren. Intern zou het een huishouden
van Jan Steen zijn. Economen vertonen een cognitieve dissonantie. Wat economen
doen is wat anders dan wat zij zeggen - en daarom zwijgen zij ook liever.
Citaat 4: "Economen geven zelden een methodologische verantwoording van
hun werk."
Wanneer economen onverhoopt toch iets naar voren brengen, beweren ze
dat hun nagestreefde methodologie een Popperiaans falsificationisme is.
Dat zou evenwel in strijd met het feitelijk gedrag zijn. Een steekproef
in de literatuur laat zien dat minder dan 1 % van de ‘empirische’ artikelen
werkelijk probeert om hypothesen te falsifiëren. (Economen liegen
dus alleen niet wanneer hun geuite aspiraties betrekking hebben op anderen.)
Reuten beschrijft de werkelijke praktijk (van de overige 99 % ‘empirische’
plus de ‘niet-empirische’ literatuur) als gericht op
-
consistentie
-
plausibel blijven in het licht van wat anderen zeggen (de literatuur )
-
correlatievinding en schatten, maar niet testen, en zelden kijken naar
het werk van anderen - geen voortgangscontrole
Citaat 5 meent dat theoretici en ‘empirici’ de verantwoordelijkheid
op elkaar afwentelen.
Citaat 6 ziet een systematische reden voor de geringe waarheidsgerichtheid,
namelijk de axiomatische methode.
Citaat 7 constateert een gebrek aan kennistheoretische onderbouwing
voor deze feitelijke methodologie.
Citaat 8 ziet hier hoge kosten mee gemoeid.
Herformulering: eerste reactie
In de herformulering accentueren we Reutens probleem, en kwalificeren
we het tevens met kennistheoretische inzichten.
Wetenschap is per definitie gericht op waarheidsvinding. Het motto is
waar-zijn of niet-(wetenschappelijk)-zijn. (6)
Wanneer het in de literatuur en op de universiteiten schort aan de waarheidsvinding,
dan is daar dus geen wetenschap. Indien Reuten gelijk heeft, zijn allerlei
mensen (99 % ?) als "wetenschappelijk onderzoeker" aangesteld die dat eigenlijk
toch niet zijn. Het zou dan beter zijn te spreken van wetenschappogers,
van mensen die (hopelijk) pogen wetenschappelijk te zijn.
-
Inderdaad is er enige reden tot zorg over het imago van de wetenschap bij
derden. (7)
-
Er is een spanning tussen B en C: enerzijds letten de wetenschappogers
blijkbaar op de literatuur, anderzijds bouwen ze niet op anderen voort.
In het beste geval is het ook wel verstandig om niet teveel aandacht aan
anderen te besteden, omdat men tenslotte weet dat het maar pogers zijn.
In het slechtste geval let men blijkbaar op andere dingen dan het (empirisch)
voortbouwen - bijv. de positie in het gilde.
Dat niet voortgebouwd wordt kan echter nauwelijks aan de axiomatische
methode liggen. Deze methode gebiedt juist toch wel het voortbouwen. In
mijn ervaring zijn wiskundig onderlegde economen nog het meest constructief.
-
Vervolgens kennen we sinds de jaren ’30 de econometrie. Er valt veel voor
te zeggen om econometrie te zien als de methodologische invulling van de
economie, d.w.z. de practische neerslag van de methodologie. De practische
neiging van de econometrist en de filosofische neiging van de methodoloog
mogen niet misleiden. Het ligt m.i. niet aan de econometrie dat Reuten
concludeert dat er zo weinig aan waarheidsvinding wordt gedaan.
Een verklaring voor de huidige situatie is te zoeken in de meer normale
intermenselijke processen met hun financiële en andere prikkels. Economen
zijn ook mensen. De term plausibiliteit kan door subjecten gebruikt worden
als eufemisme (goedpraterij) voor doodgewoon conformisme. Het is niet het
doel van deze bespreking om dit sociologische aspect uit te werken. Wel
willen we het eventuele probleem helder krijgen, en met het oog op een
eventueel nader onderzoek ook het onderzoeksveld duiden.
Tinbergen Two
Van een individu kan men accepteren dat er soms wat vergeten wordt.
Bij een collectieve en systematische vergeetachtigheid is er een serieus
probleem. Overigens wordt er maar zelden volledig vergeten, onthoudt men
wel iets, maar raakt dat in de war, en ontstaat zo een mythe. Een mythe
is lastiger om ongedaan te maken dan de tabula rasa van het complete vergeten.
Reuten geeft als voorbeeld Boumans’ proefschrift over Tinbergen. Dit
is als voorbeeld niet zo pakkend want het betreft de hogere wiskunde van
de optimal control. Daarom een tweede poging.
Rond 1987 kon men in de kringen van de Nederlandse macro-economische
modellenbouw veelvuldig de uitdrukking Tinbergen Two horen gebruiken.
Dat was de aanduiding van ‘de’ waarde van de prijselasticiteit in de exportvergelijking.
Schattingen gaven een uitkomst in de buurt van de twee. Men wist zich nog
te herinneren dat zo’n uitkomst al bestond in de modellen van Tinbergen.
Wellicht was hier sprake van een over de tijd stabiele Economische Wet.
Het leek logisch om het gebruik van om-en-nabij 2 aan deze auteur toe te
schrijven. Het veelvuldige gebruik van de term Tinbergen Two bracht
Tinbergen ertoe om in een artikel in ESB toe te lichten dat de 2 van Keynes
was. Maar ... hij had een en ander minstens reeds in 1948 toegelicht. Bovendien
schreef Tinbergen destijds expliciet over Keynes, in een bundel geheel
gewijd aan Keynes. Van serieuze studenten van de macro-economie mag men
toch wel verwachten dat de combinatie Tinbergen & Keynes niet over
het hoofd gezien wordt. (8)
Natuurlijk hoeft niet iedereen alles te lezen. Wanneer een auteur verwijst
naar Tinbergen dan getuigt dat van enig historisch besef. Men kan het al
50% goedrekenen dat naar Tinbergen verwezen wordt, want via diens papers
komt men wel bij de juiste bron uit. Maar het ontstaan van de mythe van
de Tinbergen Two tekent hoe dan ook het ontbreken van een minimale
critische massa. Een fout van 50% blijkt mogelijk voor een onderwerp dat
cruciaal is voor Keynes’ beroemde analyse t.a.v. Versailles, de Duitse
herstelbetalingen voor WO I, (9) en de aanloop
en ook oorzaak tot WO II. Met dit voorbeeld is het problematische van de
situatie hopelijk pakkend geschetst.
Binnen de wetenschap bestaat al de officiële ethiek dat men citeert,
en dus voortbouwt op het werk van anderen. Het problematische is dat er
blijkbaar wat aan de uitvoering schort. De sancties op citatiefouten (verkeerd
begrepen, out of context, om de verkeerde reden weglaten) zijn blijkbaar
niet krachtig genoeg. Wellicht is een ELO-rating op den duur toch onvermijdelijk.
Dan kunnen slimme opmerkingen punten opleveren en kwalijke praktijken punten
kosten.
Falsificatie gefalsifieerd
Dat toegepaste economen weinig aandacht aan falsificatie besteden, kan
goede oorzaken hebben. Het falsificatieprincipe van Popper (10)
heeft twee nadelen, (1) puur logisch en (2) stochastisch. Dit betekent
overigens niet dat deze nadelen alom bekend zijn. Vandaar ook dat ik hier
oorzaken schrijf en niet redenen.
Ten eerste de logica. Bekijk de uitdrukking Alle raven zijn zwart.
De bewering kan als onwaar beoordeeld worden wanneer men een witte raaf
vindt. Het zou een ‘wetenschappelijk toelaatbaar’ geloof zijn, omdat in
principe weerlegging mogelijk is. Maar het zou wel een geloof blijven en
geen waarheid zijn. In alle consequenties doorgevoerd zou het falsificatieprincipe
van ons verlangen dat we ons waarheidsoordeel over Alle raven zijn zwart
opschorten totdat er een moment aanbreekt waarin een serieuze test mogelijk
is. En er is pas een serieuze test op het moment dat er sprake zou zijn
van een witte raaf. In de tussentijd zouden we alleen mogen geloven - terwijl
we op de klompen aanvoelen dat het wel waar zal zijn. De conclusie luidt
dat het falsificatieprincipe problematisch is.
Vervolgens de stochastiek. Men veronderstelt (met stochastische eigenschappen):
y = X ß + u
Men schat:
y = X b + e
Waarneming X[+1] voorspelt:
yest[+1] = X[+1] b + E[e[+1]]
Tot slot is er een waarneming y[+1]. De vraag is nu of deze nieuwe
waarneming de oude hypothese kan falsifiëren. Deze vraag blijkt minder
makkelijk te beantwoorden dan de naive Popperiaan aanvankelijk dacht. Het
falsificatieprincipe leek van toepassing op een deterministische werkelijkheid,
maar empirische formuleringen zijn vaak stochastisch. De stochastische
formulering laat toe dat er af en toe (al dan niet grotere) afwijkingen
worden waargenomen. Er zijn problemen van meetfouten in y of X,
een verkeerd functioneel verband en ontbrekende variabelen. In een praktische
empirische aanpak kan de vraag zo worden geformuleerd: of men niet moet
bijsturen. Met name in de optimal control aanpak - waarin als voorbeeld
een raket naar de maan geleid moet worden - geeft de voortdurende bijsturing
een indicatie van eerder gemaakte fouten (‘falsificaties’). Het gevolg
is wel dat de aandacht verschuift naar de verliesfunctie die men minimeert,
en dat is niet werkelijk volgens het paradigma van Popper.
Deze stochastische en logische aspecten leiden - wellicht op zichzelf
en zeker in combinatie - mijns inziens tot het volgende standpunt.
Er is een onderscheid tussen de termen alle1 (universeel)
en alle2 (algemeen, gewoonlijk, normaliter). De uitdrukking
Alle raven zijn zwart kan opgevat worden als:
-
een definitie. Deze is dan universeel geldend. De empirische waarheid,
die we ondervindelijk ervaren, wordt dan mede uitgedrukt in - spoort met
- de logische tautologie van de definities die we hebben gekozen. Komen
we een witte "raaf" tegen, dan is er blijkbaar geen sprake van een raaf,
maar van iets wat daar sterk op lijkt.
-
een empirische uitdrukking. Een alternatieve formulering is: Alle raafachtigen
zijn zwartachtig. Is deze uitspraak niet per definitie geldig dan is
hij mogelijk algemeen waar. Gewoonlijk laten we dat "-achtig" weg omdat
uit de context wel duidelijk is wat bedoeld wordt.
Ik wil niet beweren dat hiermee alles is opgelost. Het onderscheiden van
beide dimensies is niet het oplossen van alle problemen in hun bereik:
-
Ook een definitie Raven zijn p.d. zwart geeft de vraag of een voorliggende
ding zwart of raaf is... Hebben we de lichtval goed gemeten
? Is een doorsnede van 10 km acceptabel? Moest het beest leven, of waren
we tevreden met alleen een vorm die eventueel dood is ? Wat is leven ?
Het onderscheid wel/geen definitie is zinvol en wezenlijk, maar sluit verdere
vragen niet uit. Het punt is niet zozeer dat men altijd een definitie kan
wijzigen, maar veeleer dat een definitie nog geen werkelijkheid is.
-
Een empirische uitspraak als Alle2 raven zijn zwart.
roept de nodige vragen op. Hoeveel, hoe, waarom ? Vanzelfsprekend ligt
de bewijslast vooral bij degene die beweert dat raven gewoonlijk zwart
zijn. Toch: er is een collectieve verantwoordelijkheid om duidelijkheid
te verschaffen over wat de betekenis van termen is.
Deze overwegingen verduidelijken het volgende. Het kennend intellect staat
voor de economische afweging tussen het handhaven van oude begrippen
of het aanpassen daarvan. Het spel van de wetenschap is erop gericht om
de definities zo goed mogelijk bij de werkelijkheid te doen aansluiten.
Het is een spel zonder einde. Het wetenschapsproces bestaat eruit om de
begrippen zo sterk mogelijk te kiezen en om de onzekerheid zoveel mogelijk
naar de waarneming te verschuiven - en weg van het begrippenkader. Het
doel überhaupt is blijkbaar de onzekerheid te verminderen. In die
zin is er, naast de methodologie van en in de economie, ook de economie
van en in de methodologie; en beide worden m.i. gedekt door de econometrie.
Wetenschap is erop gericht een bepaalde verliesfunctie te minimeren,
met het instrument van een zorgvuldige keuze van denk- en begrippenkaders.
Het is het minimeren van de cognitieve dissonantie. (11)
Bijgevolg is voor de wetenschap een grote nadruk op begripsmatige arbeid
wezenlijk.
Indien het feitelijk economisch onderzoek in deze termen herbeoordeeld
wordt, dan is het resultaat niet zo negatief als Reutens beschrijving van
classificatie en pseudofalsificatie (A t/m C) suggereert. Ook al blijft
een punt dat het allemaal niet zo effectief en efficiënt gaat als
mogelijk is.
Voorbeelden van begripskeuze
Het voorgaande onderscheid tussen wel/geen definitie klinkt triviaal.
Misschien is het dat ook. Een aantal voorbeelden verhelderen wat trivialiteit
dan betekent.
-
Onze definities bepalen onze waarneming. (Zie ook de percepties van de
verschillende actoren in het schema van Throgmorton op. cit..)
-
Een kenmerkend voorbeeld is de vormgelijkheid (in functienotatie y = f[x]):
Feit = Waarneming[Wereld]
Stelling = Bewijs[Axiomas]
Men kan er lang over nadenken of deze vormgelijkheid nu per definitie
geldt of dat het een empirisch gegeven is - of beide.
-
Een voorbeeld is het gebruik van de nul voor het ontbreken van een getal
(het symbool geeft ook een blanco positie aan), waarbij nul echter opeens
beschouwd wordt als wel een getal. (Als gevolg hiervan is het ontbreken
van een getal plots gelijk aan oneindig, totdat ook voor het oneindige
getallen worden gedefinieerd.)
-
Als voorbeeld is er het ‘uitvinden van het wiel’. Menig Neanderthaler zal
wel een boom van een heuvel hebben zien rollen. Appels zijn nogal rond.
Dus de ontdekking zit niet in de ronde vorm die makkelijk rolt. De uitvinding
zit in de wielas. Mensen die alleen de uitdrukking ‘het wiel uitvinden’
kennen vinden dit een inzicht.
-
Wat in de ene definitie evenwicht heet te zijn, is in een andere definitie
onevenwicht. De Maan die evenwichtig rond de Aarde draait, is ook voortdurend
bezig om onevenwichtig naar de Aarde toe te vallen. In sommige modellen
is werkloosheid onevenwichtig, in andere evenwichtig. Bij dergelijk evenwicht
kan nog steeds sprake zijn van suboptimaliteit. De relevante vragen zijn
vooral, wat er precies gebeurt, en wat de waardering daarvan is.
-
In de werkelijkheid nemen we waar dat mensen te kennen geven dat hun stemming
beïnvloed wordt door het gedrag van anderen, bijv. via jaloezie of
juist altruïsme. De individualistische definitie van het nut lijkt
hier problemen te geven. Door gegevens over anderen op te nemen in individuele
nutsfuncties, kan het individuele maximeren echter gehandhaafd blijven.
Het klinkt dan paradoxaal dat altruïsme ook egoïstisch is, maar
er is geen sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid.
-
Is een econoom ook een wetenschapper, die dus de werkelijkheid wil verklaren,
dan ontkomt hij m.i. niet aan de veronderstelling van meetbaar nut. Ook
sociale processen bestaan alleen in krachtenvelden. Ordinaal nut heeft
soms theoretische voordelen, maar is ontoereikend om feitelijke verdelingsprocessen
te verklaren.
-
In de discussie over de waardevrijheid van wetenschap wordt te weinig rekening
gehouden met het aspect dat waarden en feiten verschillende dimensies
zijn. Zij kunnen dus tegelijkertijd bestaan - en doen dat ook. Bovendien
heeft de waardendimensie denkelijk geen logisch nulpunt, zodat er eerder
sprake is van een interval schaal dan van cardinaliteit (met relatieve
coördinaten en geen logisch nulpunt). "Waardevrijheid" betekent dan
niet letterlijk dat men vrij van waarden is.
-
Het komt vaak voor dat een begrip dat in de ene context bewezen of waargenomen
moet worden (dan wel lijkt te moeten worden) in een andere context per
definitie geldt.
ix-a. Eerst een wiskundig voorbeeld. Bekijk de formule a2
+ b2 = c2. In de ene context betekent deze formule
wat anders dan in de andere context. Bij de stelling van Pythagoras vertelt
de formule dat de kwadraten van de rechthoekszijden optellen tot het kwadraat
van de hypotenusa. Dit is dan een stelling die bewezen moet worden. Het
meer dan 2000 jaar oude bewijs voedt tegelijkertijd het besef, dat hier
inderdaad iets voorligt dat bewezen moet worden, en dat waard is om bewezen
te worden. (12) Evenwel, in een alternatief kader
valt er niets te bewijzen. Dan geldt de genoemde formule per definitie.
De formule geeft dan immers de cirkel met straal c. (13)
(Welke formulering men kiest is, na het wiskundig inzicht, een kwestie
van didactiek en de Afd. Voorlichting.)
ix-b. Vervolgens wiskunde en de empirie. Volgens Reuten leent de theorie
van het algemene evenwicht zich (vooralsnog) niet voor empirische toetsing,
en hij verwijst naar Hahn die dat ook vindt. Reuten beschrijft Hahns voorbeeld:
"De theorie veronderstelt het bestaan van een vrijwel
oneindig [?/TC] aantal markten. Dus er zou vandaag onder andere een markt
moeten zijn voor paraplu’s, af te leveren op Kerstmis van het jaar 1998
indien het die dag regent."
Het is ironisch dat een ‘theoreticus’ (Hahn, vindt hij zelf) toch een ‘empirische’
uitspraak doet, ook al betreft het dat iets niet zou bestaan.
De empiricus kijkt er wat anders tegenaan. Hij ziet immers een potentieel
nuttig wiskundig model en vraagt zich vervolgens af of de afwijkingen in
de data tolerabel zijn. Nog mooier is de vraag of er wellicht een creatieve
manier bestaat om de data zodanig te herinterpreteren dat de afwijkingen
verwaarloosbaar worden. Het mooist is het wanneer de theorie voor een deel
ook per definitie waar is. Is er werkelijk geen markt voor dergelijke paraplus
? Nemen we enkele woorden niet te letterlijk ?
Het zgn. ‘ontbreken van een markt’ is niet in alle omstandigheden een
probleem. Ook in het heden bestaan niet alle denkbare paraplu’s. De subjecten
moeten accepteren wat economisch mogelijk is. Het gebrek aan rijkdom is
niet te verwarren met het niet-bestaan van een markt.
Wanneer je nu rijk bent, dan kun je een gouden paraplu met diamanten
laten maken, die nu nog niet bestaat. Wanneer je rijk bent, dan kun je
een bedrijf oprichten dat klaarstaat met paraplu’s, af te leveren op kerstmis
van het jaar 1998 indien het die dag regent. Wanneer een rijk persoon een
bedrijf kan oprichten om voor de gevraagde paraplu te zorgen, dan is duidelijk
dat het goedkoper is zelf een paraplu met je mee te sjouwen: hetgeen vermoedelijk
dan de marktprijs is van een paraplu voor kerstmis 1998 als het regent.
Het motto is: ‘voor alles is een prijs’.
Hahns probleem van de ontbrekende markten overlapt met het probleem
van de externe effecten. De onzekerheid van de toekomst kan gezien worden
als een extern effect. Het klassieke voorbeeld is het roet van de fabriek
dat het wasgoed in de omgeving vervuilt. Er bestaat per definitie geen
directe markt voor externe effecten. (14) Echter,
de externe effecten zijn impliciet besloten in andere acties. Onder gebruikelijke
veronderstellingen is de werkelijkheid causaal en deterministisch, zodat
alles (wat in de toekomst gebeurt) bepaald wordt door acties (in het heden).
In het heden bestaan markten, en die kunnen aspecten van de toekomst verdisconteren.
Ieder subject heeft via bestaande markten de gelegenheid om de externe
effecten te verdisconteren. Bijv. gaan mensen stemmen op een Schone Lucht
Forum. Eventueel kan men betogen dat door het ontbreken van directe markten
een lager optimum bereikt wordt. Coase’s Theorema stelt echter dat er (p.d.)
sprake is van verdelingseffecten. (15)
Aldus, bij het wat anders kijken naar de werkelijkheid kan het (Arrow-Debreu)
algemeen evenwicht model de werkelijkheid vermoedelijk redelijk beschrijven.
Verklaard is dan dat markten op ieder moment ruimen, inclusief evenwichtige
voorraadvorming, ook al worden de subjecten eventueel teleurgesteld in
de verwachtingen die ze over de toekomst hadden. Ook die teleurstellingen
zijn verklaard - want mensen zijn dom.
Ter afronding
Bij het grotere publiek valt wel eens een onbehagen te proeven t.a.v.
de kwaliteit van de economiebeoefening. Een directe aanleiding hiervoor
was de oliecrisis van 1973/74, toen vele economen een adequate reactie
schuldig bleven. Overigens hadden economen vrij snel een antwoord, namelijk
dat van John Hicks 1974 en Robert Gordon 1975. (16)
Maar dat weerklonk niet universeel, het verstoorde publieke vertrouwen
is niet gemakkelijk hersteld, en het proces heeft inmiddels zijn eigen
dynamiek. Inmiddels is 100% zeker dat bijv. de massale werkloosheid niet
aan de economische wetenschap ligt maar aan andere zaken, met name het
gehele proces van beleidsvoorbereiding.
Dit plaatst de discussie over de waarheidsvinding van economen in perspectief.
Aandacht voor methodologie en waarheidsvinding is in iedere wetenschap
essentieel, doch het zou voor de economische wetenschap perspectivische
vertekening zijn indien zo’n discussie de indruk wekt dat het vak disfunctioneert
en dat mede daardoor grote maatschappelijke problemen blijven voortbestaan.
Die perspectivische vertekening is tegen te gaan door bij de publieke
discussie over de waarheidsvinding niet in algemeenheden te blijven steken.
Indien het aan de waarheidsvinding mankeert, dan zijn de volgende vragen
aan de orde: wie, wat, waar ?
Voetnoten
-
G.A. Reuten, “Waarheid in de economie”, ESB 16/12/92 pp1208-1216
-
Inmiddels is het proefschrift van Hugo Keuzenkamp verschenen dat dieper
op de methodologische kwestie ingaat. Ik ben het enthousiast aan het lezen.
Misschien is het voor mij beter dát nu te lezen dan dit te (her-)
schrijven. Aan de andere kant ben ik nu bezig aan de bundel “Trias Politica
& Centraal Planbureau”, heb ik deze aantekeningen voor me liggen, en
zijn deze zinvol verwerken, terwijl de studie van Keuzenkamp toch moet
bezinken. Voor de goede orde zij gemeld dat mijn plan uit 1991 voor het
beoogde proefschrift “Definition and Reality in the general theory of political
economy” reeds de nodige methodologische hoofdstukken kent. Het is dus
niet ‘reageerderig’ dat ik het artikel van Reuten hier als uitgangspunt
neem. Dat artikel was en is een nuttige aanleiding om reeds bestaande eigen
gedachten in een bepaalde vorm te gieten.
-
Hugo A. Keuzenkamp, “Probability, econometrics and truth; A treatise on
the foundations of econometric inference”, proefschrift KUB 25 februari
1994
-
Universiteitskrant Groningen UK 4/2/81: “Waarom is veel sociale wetenschap
zo verschrikkelijk saai, terwijl we toch juist in zo’n afgrijselijk spannende
wereld leven ? (...) De reden voor dit merkwaardige verschijnsel
is volgens Hofstee in zijn boek “De empirische discussie”, dat de onderzoekers
zich er veel te weinig van bewust van zijn dat interessante onderzoeksthema’s
slechts uit het wetenschappelijk debat geboren worden. Sociaal-wetenschappeljk
onderzoek is volgens Hofstee verspilling van tijd, moeite en geld als de
onderzoeker zijn inspiratie niet put uit de polemiek met een wetenschappelijk
tegenstander die vanuit radicaal tegengestelde uitgangspunten vertrekt.
De wetenschap moet moet [sic] een poging zijn uit te maken wie van de twee
het meest gelijk heeft. In zijn boek ontwikkelt Hofstee (...) : het weddenschapsmodel.
(...) Afgelopen week nam A.D. de Groot in zijn oratie stelling tegen Hofstee’s
impliciete afwijzen van de ‘theoretische discussie’. (...) Ruud Bosman
(...) betoogt dat Hofstee’s wetenschapsopvatting, hoewel er enkele belangrijke
aanzetten in gegeven worden, toch geen reëel alternatief vormt voor
de ook volgens Bosman in het slop geraakte traditionele methodologie.”
-
Throgmorton, “The rhetorics of policy analysis”, Policy Sciences 24 p153-179
Kluwer 1991
-
Cool, “Omgangsvormen in politiek en wetenschap en het niemandsland daartussen”,
juli 1994
-
Overigens heb ik elders de waarheidsvinding binnen de voorbereiding van
het economisch beleid besproken.
-
Consistentie is hiervan, als ‘logische waarheid’, het fundament - waarbij
het alleen loont om zich daarop toe te leggen wanneer men over wiskundige
gaven beschikt.
-
Na de gewone leraar ziet nu de hoogleraar zijn imago aangetast. Het volgende
citaat behelst geen statistisch verantwoorde beschrijving maar getuigt
wel van een niet geheel onbelangrijke beeldvorming binnen de publieksmedia.
W. Kayzer zegt n.a.v. “Een schitterend ongeluk”, een door hem gemaakt TV
programma met buitenlandse wetenschappers en niet specifiek over de economie:
“Ik houd niet van algemeniseren, maar ik merk wel dat over het algemeen
gesproken Nederlandse wetenschappers een heel andere manier van discussiëren
hebben (...) In de Nederlandse wetenschapscultuur wordt mijns inziens toch
voor een aanzienlijk deel (...) piskijkerij bedreven. (...) Als je in Nederland
iets buiten je vakgebied durft te zeggen word je gestraft. Benauwenis,
onderlinge jaloezie, kinnesinne, die cultuur is hier heel sterk en dat
is tegengesteld aan het idee van de homo universalis die in de Alma Mater
om zich heen zijn collegawetenschappers verzamelt (...)”. Uit: Kees
Sluys, “De floretten zijn geslepen; interview met Kayzer”, VPRO gids 1993/1
p2-5
-
Tinbergen, “Het getal twee is van Keynes”, ESB 1987 p1092 & Tinbergen,
“The significance of Keynes’ theories from the econometric point of view”,
in S.E. Harris (ed), “The new economics. Keynes’ influence on theory and
public policy”, Knopf 1948 pp219-231. Het relevante citaat is op p227:
“Much new insight has been gained, in recent decades, by studying the consequences
of low elasticities. The fact of these low elasticities has several times
been detected by econometricians; but equally perhaps by people with inside
information or the right intuitions. Lord Keynes is one of the latter group.
An example of practical importance concerns the elasticity of the demand
for German exports assumed by him in his discussion of the reparations
problem [Keynes, “The German transfer problem”, EJ March 1929]. Contrary
to common view, an elasticity of only 2 was supposed to exist, leading
to the conclusion that an expansion in the value of exports (in world currencies)
would only be possible at the cost of heavy, and in fact socially impossible,
wage rate reductions. Later attempts to determine statistically the values
of the relevant elasticities led me to the same value, as the median of
a considerable number of observations.”
-
Voor de volledigheid: dit doet vermoeden dat Keynes al veel eerder dan
1929 van zo’n lage elasticiteit uitging, en dat ook hij flink gerekend
heeft in plaats van alleen intuïtie te gebruiken. Het is ook nuttig
te constateren dat Tinbergen Keynes niet klakkeloos navolgt en in de eerste
plaats op zijn eigen berekeningen vertrouwt. Dat levert wat mij betreft
een gedeelde claim op.
-
J.M. Keynes, “The Economic Consequences of the Peace”, Macmillan 1919,
1988
-
Hier heel simpel opgevat, als het zodanig formuleren van hypothesen dat
ze in principe voor weerlegging vatbaar zijn. Keuzenkamp (1994) op. cit.
is scherper.
-
Zie over cognitieve dissonantie en mensen: Aronson, “The social animal”,
Freeman 1992
-
Dit argument wordt duidelijker wanneer het bewijs wordt gegeven. Bekijk
onderstaand vierkant met zijden z = a + b en oppervlakte z * z =
z2 = (a + b)2. In dit vierkant is met dikke lijnen een ander vierkant gekanteld,
met zijden c en dus een oppervlak van c2. Dit gekantelde vierkant
wordt omgeven door vier driehoeken abc, met elk een oppervlak van ab/2.
Het oppervlak van het grote vierkant is gelijk aan dat van het gekantelde
en de vier driehoeken tesamen, dus ook geldt z2 = c2 + 4 ab/2. Met eliminatie
van z vindt men a2 + b2 = c2. Pythagoras bewees het anders, zie H.
DeLong, “A profile of mathematical logic”, Addison Wesley 1971.

-
Een cirkel met straal c (boven) is p.d. de verzameling punten (a, b) op
afstand c van het middelpunt.
-
In die zin is het probleem van externe effecten per definitie onoplosbaar.
Wanneer er een markt wordt geschapen, is er geen extern effect meer, en
zijn er - in theorie - weer andere externe effecten.
-
Zie ook Voltaire, “Candide”.
-
Michael Bruno & Jeffrey Sachs, “Economics of worldwide stagflation,”
Blackwell 1985