Aan de Voorzitter van
de
Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht
AANTEKENEN
20 maart 1998
Betreft: Beroepschrift t.a.v. zaak
van de minister van EZ vs Cool, AWB 97 / 2348 AW d.d. 22 december 1997
Geachte voorzitter,
1. Inleiding
Momenteel is de kwestie van een onheus
vastgestelde FPB aan de orde. Hieronder zal ik mijn bezwaar tegen de behandeling
van deze kwestie bij de Haagse rechtbank toelichten.
2. Algemeen kader, en verzoek tot uitstel
van behandeling
Het gaat in deze zaak om de integriteit
van de wetenschap. De minister van EZ breidelt de wetenschap, en heeft
ondergetekende met machtsmisbruik ontslagen. Waar uw college reeds besloten
heeft dit onheuse ontslag te laten doorgaan, is sprake van een dwaling
van het recht, en ben ik ook voornemens uw raad zo spoedig als doenlijk
een verzoek tot herziening voor te leggen.
Vandaag teken ik bij de Haagse rechtbank
beroep
aan t.a.v. het besluit van de minister t.a.v. de verplaatsing van ondergetekende
uit zijn afdeling en functie.
Ik verzoek u de onderhavige zaak van
de FPB vooralsnog niet in behandeling te nemen totdat de Haagse rechtbank
uitspraak heeft gedaan t.a.v. de kwestie van de verplaatsing.
De resultaten t.a.v. de kwestie van
de verplaatsing zullen ook bruikbaar zijn t.a.v. de kwestie van de FPB
en het ontslag. Zo mogelijk lukt het om u t.z.t. naast de onderhavige kwestie
van de FPB, ook de kwestie van de verplaatsing, en mijn beoogd verzoek
tot herziening van de uitspraak t.a.v. het ontslag voor te leggen. De efficiency,
het overzicht, en het recht zijn er m.i. mee gediend wanneer de kwestie
van de breidel zo integraal mogelijk aan de orde komt.
Ik dring er bij u op aan, met alle
kracht die u zich maar kunt voorstellen, inderdaad behandeling van deze
zaak uit te stellen totdat meer bekend is over de kwestie van de verplaatsing.
U heeft in eerdere instanties reeds
enorme schade aan mijn rechtspositie gedaan door u voortijdig over het
ontslag uit te spreken terwijl nog geen duidelijkheid bestond t.a.v. FPB
en verplaatsing. Ik verzoek u nu met klem deze fout niet andermaal te maken.
Ter toelichting van dit algemene kader
voeg ik toe: (a) het overzicht "Stand
van zaken" (Bijlage A) toe, (b) alsmede een kopie van mijn beroep
bij de Haagse rechter (bijlage B), (c) alsmede het boekje van Hans
en Auke Hulst, "Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt", Thesis
Publishers 1998,
dat met mijn medewerking tot stand is gekomen, (d) alsmede een kopie van
mijn brief aan de directie van
het CPB (bijlage C) - met de strekking dat men dit boekje niet kan
kopen omdat mijn analyse volgens de directie geen kwaliteit zou hebben,
zodat de overheid welbeschouwd niet kan meewerken aan de aanpak van de
werkloosheid.
3. Bezwaren tegen de motivering van
de rechtbank t.a.v. de FPB
T.a.v. te citeren onderdelen:
A. Algemeen
"Partijen verschillen van mening over
de omvang van het geschil. Eiser heeft gesteld dat de beoordeling in het
geding volledig kan worden getoetst, terwijl verweerder heeft aangevoerd
dat de beoordeling reeds ten volle is getoetst en dat eiser vervolgens
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep slechts in de gelegenheid
gesteld moest worden zijn bezwaar tegen de vaststelling van de beoordeling
d.d. 17 januari 1991 in te trekken, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de
ten aanzien van hem opgestelde beoordeling op sommige aspecten gunstiger
zou uitvallen dan na bezwaar. "
Niet geheel correct. Ik heb m.n. gesteld
dat het niet zoveel zin heeft om de beoordeling inhoudelijk te toetsen,
omdat de beoordelaars te wraken zijn. Mijn verzoek aan de directie is geweest
de plv. HAC als medebeoordelaar aan te wijzen. Ik heb de directie erop
gewezen dat de HAC bevooroordeeld zou kunnen zijn. Hierop is geen adequaat
antwoord gekomen.
Daar men hieraan voorbijgaat, heb ik
ook aangegeven waar de beoordeling inhoudelijk fout is, maar ik heb ook
gesteld dat men kan denken dat ik niet geloofwaardig ben omdat ik partij
ben, en dat dan een onafhankelijk onderzoek gewenst is.
B. Indien men de (enigszins verkeerd voorgestelde)
positie van Eiser kiest
B1. "De Centrale Raad van Beroep heeft
zich in zijn uitspraak van 11 mei 1995 niet expliciet uitgesproken over
de inhoudelijke kant van de beoordeling."
Dit is een belangrijke constatering.
B2. "Uit het feit echter dat slechts
op een formele grond is vernietigd concludeert de rechtbank dat er voor
een inhoudelijke vernietiging geen reden is gevonden."
Dit is een pure verkrachting van het recht.
Deze rechter is te ontslaan.
Ik heb mijn verdediging vooral formeel
gevoerd. Ik heb ook gezegd: die formele verdediging is niet mijn keuze.
Ik heb aangedrongen op een onafhankelijk onderzoek van de situatie en het
horen van getuigen. Dat dit laatste niet is gebeurd, kan niet tegen mij
gehouden worden.
B3. "De rechtbank acht zich in die
conclusie gesterkt door het feit dat de Centrale Raad van Beroep het beroep
tegen het ontslagbesluit van 12 juni 1991 ongegrond heeft verklaard. Uit
de overwegingen hieromtrent is duidelijk dat de Centrale Raad van Beroep
van oordeel is dat eiser in de betrokken periode onvoldoende heeft gefunctioneerd."
De FPB, ook in de huidige vorm, geeft
niet aan dat ik onvoldoende heb gefunctioneerd. Ik kreeg een periodiek:
inhoudelijk wilde de HAC die 'voor twee' laten tellen, en formeel betekent
een periodiek ook goed functioneren. De brief van de directeur van april
1990 spreekt slechts over 'kanttekeningen' en geeft aan dat er zicht is
op de bevordering.
Zoals gezegd heeft de Centrale Raad
op zijn minst voor zijn beurt gesproken. En zoals gezegd behoudt een rechter
een eigen verantwoordelijkheid: weliswaar is het oordeel van de Raad een
belangrijk gegeven, maar men mag zich er niet achter verschuilen.
B4. "Ten overvloede overweegt de rechtbank
dat ook indien zij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep onjuist
zou interpreteren, er geen plaats is voor een volledige toetsing van de
beoordeling. Deze rechtbank heeft immers bij zijn uitspraak van 8 november
1993 reeds een inhoudelijk oordeel gegeven over de beoordeling. In zoverre
eiser een volledige toetsing van de beoordeling wenst moet hij derhalve
niet-ontvankelijk worden verklaard."
Dat is onzin, ook gezien B1. Mijn verdediging
t.a.v. 8 november 1993 is vooral formeel geweest, en een inhoudelijke toetsing
is dan niet goed mogelijk. Er is voorbijgegaan aan mijn inhoudelijke opmerkingen,
mijn verzoek tot onderzoek en het horen van getuigen.
Formeel gezien kan een rechtbank van
8 november 1993 zich niet uitspreken over een beoordeling die de minister
pas op 28 mei 1997 afgeeft. Waar ik me eerst formeel verdedig, moet de
rechtbank mij de redelijke verwachting laten dat de inhoud later aan de
orde komt.
C. Indien men de positie van Verweerder
kiest
"Voor het overige is het beroep ongegrond.
Verweerder heeft eiser ter uitvoering van de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep in de gelegenheid gesteld zijn bezwaar tegen de vaststelling
van de beoordeling d.d. 17 januari 1991 in te trekken. Eiser heeft van
die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Vervolgens stond het verweerder vrij
opnieuw overeenkomstig het advies van de commissie te beslissen."
Onjuist: de betreffende vrijheid betreft
slechts de bevoegdheid. Maar die bevoegdheid impliceert niet dat men ook
onzorgvuldig te werk mag gaan. Een beoordeling dient zorgvuldig tot stand
te komen. Verweerder dient rekening te houden met de constatering onder
B1.
T.a.v. overige aspecten
Ik heb de griffier van de rechtbank verzocht
om een kopie van het verslag van de zitting. Helaas is dat nog niet binnengekomen.
Waar het mij om gaat is dat de rechter begrip toonde voor de multiculturele
samenstelling van de afdeling. Zulk begrip was mij tot op heden nog niet
ten deel gevallen, noch bij de chef, noch bij de directie, noch bij de
ministers van EZ en BiZa, noch bij de bezwarencommissie, noch bij voorgaande
rechters, noch bij de Centrale Raad.
Het begrip van de rechter voor de multiculturele
samenstelling van de afdeling staat op gespannen voet met het onbreken
van elk begrip daarvan in de FPB. De rechter lost dit op door te stellen
dat een inhoudelijke toets niet aan de orde zou zijn. Dit
is puur fascisme. Terwijl men weet dat iemand kapot wordt gemaakt,
grijpt men niet in, en kiest men een goed klinkende juridische riedel om
het geweten te sussen.
Zie verder het bezwaarschrift ingediend
bij de rechter.
4. Conclusie
Ik verzoek u de uitspraak van de rechtbank
als onzorgvuldig te vernietigen, en de minister van EZ op te dragen een
onderzoek naar de situatie in te stellen, opdat later aan te wijzen beoordelaars
kunnen komen tot een voor alle partijen aanvaardbare FPB.
Met vriendelijke groet,
Thomas Cool