We hebben nog duizend kansen

In memoriam Piet Thoenes (1921-1995)

Facta, 3e jaargang no 8, december 1995 - blad van de Nederlandse Vereniging voor Maatschappij- en Cultuurwetenschappen (NVMC)
 

Het was een schok voor me. De mededeling - op donderdag 13 juli - dat professor Thoenes de vorige dag was gestorven, zorgde in mijn journalistieke omgeving nauwelijks voor enige opwinding. Sterker, de vraag van enkele jongere collega's luidde: wie is dat, Thoenes? Dat de faam van deze oude leermeester zo snel aan erosie onderhevig zou zijn, was voor mij, als oud-student van Thoenes nogal ontnuchterend.

De Utrechtse socioloog Piet Thoenes zag zichzelf vooral als een man van de achttiende-eeuwse Verlichting. Kennis maakt mensen interessant en alleen 'een dom volk bezuinigt op zijn onderwijs', zoals hij al in 1982 scheef in een leuke ESB-column. Sociologie zag hij als bewustwordingswetenschap en de socioloog als wegwijzer: 'de socioloog moet hardop zeggen wat anderen nog niet durven te zeggen'. Hij hield zelf wel van het doen van ferme uitspraken. In een interview in de Volkskrant op 11 februari 1994 brak Thoenes, juist op het moment dat het no nonsense-denken van Lubbers c.s. hoogtij vierde, een lans voor de sterke staat: 'de staat is de enige die de crisis in de arbeid kan oplossen'. Hij kapittelde vooral zijn politieke geloofsgenoten: 'Ik betreur dat ook progressief Nederland zo anti-staat is geworden. Dat lijkt me fout. De aftakeling van de verzorgingsstaat, daar moeten socialisten tegen zijn. Anders verzaken ze hun plicht. Het zijn toch socialisten?'

De verzorgingsstaat, door hem geintroduceerd in 1962, was zijn troetelkind. Hij geloofde in navolging van de Duitse socioloog Karl Mannheim oprecht in de maakbaarheid, het rationeler maken van de samenleving (Sociogische Gids, januari 1994). De wetenschap heeft mensen geleerd dat de wereld maakbaar is, aldus Thoenes. Utopieen waren voorhem geen droom, maar 'het beeld van de maatschappij die we nog niet hebben, maar wel zouden kunnen maken.'.

Zijn aanstekelijk optimisme ('we hebben nog duizend kansen') over de toekomstige samenleving had in de loop der jaren wel een knauw gekregen. Tijdens een openbaar debat in de Balie in Amsterdam over de verzorgingsstaat - eind januari 1995 - sprak Thoenes sombere woorden. Hij twijfelde aan de slaagkans van een redelijke maatschappij waarin een ieder gelijke kansen krijgt.

In een gesprek bij de open haard bij mij thuis, een paar dagen later, deed hij verwoede pogingen dat al te sombere beeld weer wat weg te poetsen. Zo erg was het nu ook weer niet, zei hij, maar hij maakte zich vooral zorgen over de kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt. Zijn kleinkinderen dus. Terugkijkend op ons beider nogal turbulente verleden als docent en student viel me opnieuw op hoe zeer Thoenes zich onbegrepen had gevoeld door de protestgeneratie van de jaren zestig en zeventig. De linkse studentenbeweging, waartoe ik ook jarenlang behoorde, zag destijds in de net (1968) tot hoogleraar benoemde Thoenes geen bezielde, intellectuele leider.
In februari 1984 zei Thoenes daarover in de Volkskrant: 'Mijn beeld is dat ik in de jaren zeventig een aantal studenten dingen zag doen en hoorde zeggen waar ik zelf erg voor geweest was en dat ik het jammer vond dat ze niet tegen mij zeiden: "Hee, doe je ook mee", maar dachten: "Oh, dat is een professor, die deugt niet".'

Elf jaar later, toevallig ook in februari, heb ik Thoenes gezegd dat ik het destijds verkeerd heb gezien. Dat we gebruik hadden moeten maken van zijn wetenschappelijke kennis, zijn engagement, zijn oorspronkelijke visie op de maatschappij van nu en straks en vooral zijn charme. Het ontbrak ons in de jaren zeventig niet aan ideeen (verbeelding aan de macht), noch aan radicaliteit (alles moet anders), maar het ontbrak ons vooral aan goede smaak en strategisch inzicht.
Thoenes luisterde onder het genot van een glas rode wijn aandachtig en zei dat ik 't niet moest overdrijven. Hij had al afgerekend met die tijd: 'We hebben beiden gedaan wat we vonden dat er moest gebeuren. Ik heb er vrede mee, dat zou jij ook moeten hebben.' De rest van de avond spraken we over de veranderde tijdgeest en wilde hij alles weten hoe dat is, een krant als de Volkskrant maken. Onze relatie was volwassen geworden.

Eind april schreef hij me nog een briefje waarin hij vroeg of ik iets kon doen voor zijn schoondochter, een videomaakster in opkomst. Dat was Thoenes op z'n best: niet alleen een linkse denker, maar ook een (linkse) doener.
 

Pieter Broertjes 
Hoofdredacteur van de Volkskrant / oud-student sociologie RU Utrecht (1973-1979)


 
 
 

We hebben nog duizend kansen

In memoriam Piet Thoenes (1921-1995)

Facta, 3e jaargang no 8, december 1995 - blad van de Nederlandse Vereniging voor Maatschappij- en Cultuurwetenschappen (NVMC)
Commentaar Thomas Colignatus, 20 maart 2005

Bij het opruimen van spullen zoals oude nummers van Facta viel mijn oog hierop wegens de naam "Pieter Broertjes" omdat ik zojuist ook een brief van hem gekregen had. Het lijkt me nuttig om alsnog commentaar te geven t.a.v. de wonderlijke redeneringen.

Er bestaat een oud inzicht: Wanneer een econoom het niet met je eens is, wil hij je nog best helpen met advies "als je dit wilt bereiken, zou je het zus of zo kunnen aanpakken" - maar wanneer een socioloog het niet met je eens is, hoed je dan.

Het was een schok voor me. De mededeling - op donderdag 13 juli - dat professor Thoenes de vorige dag was gestorven, zorgde in mijn journalistieke omgeving nauwelijks voor enige opwinding. Sterker, de vraag van enkele jongere collega's luidde: wie is dat, Thoenes? Dat de faam van deze oude leermeester zo snel aan erosie onderhevig zou zijn, was voor mij, als oud-student van Thoenes nogal ontnuchterend. (a) Zo'n erosie zou een socioloog en journalist niet moeten verrassen.

(b) Hieronder wordt juist opgemerkt dat Thoenes niet eens zo'n faam had. Hij voelde zich genegeerd.

De Utrechtse socioloog Piet Thoenes zag zichzelf vooral als een man van de achttiende-eeuwse Verlichting. Kennis maakt mensen interessant en alleen 'een dom volk bezuinigt op zijn onderwijs', zoals hij al in 1982 scheef in een leuke ESB-column. Sociologie zag hij als bewustwordingswetenschap en de socioloog als wegwijzer: 'de socioloog moet hardop zeggen wat anderen nog niet durven te zeggen'. Hij hield zelf wel van het doen van ferme uitspraken. In een interview in de Volkskrant op 11 februari 1994 brak Thoenes, juist op het moment dat het no nonsense-denken van Lubbers c.s. hoogtij vierde, een lans voor de sterke staat: 'de staat is de enige die de crisis in de arbeid kan oplossen'. Hij kapittelde vooral zijn politieke geloofsgenoten: 'Ik betreur dat ook progressief Nederland zo anti-staat is geworden. Dat lijkt me fout. De aftakeling van de verzorgingsstaat, daar moeten socialisten tegen zijn. Anders verzaken ze hun plicht. Het zijn toch socialisten?' (a) In grote lijnen natuurlijk mee eens, en heel mooi gezegd.

(b) Wanneer onderwijzers prietpraat verkopen dan is het juist verstandig daarop te bezuiningen.

(c) Niet alleen sociologen maar alle wetenschappers moeten hardop zeggen wat zij denken wanneer dit relevant is. Het is een schandaal dat wetenschappers gecensureerd kunnen worden. 

(d) Het Verslag van de onderzoekscommissie "VERSLAG NVMC-COMMISSIE INZAKE TH. COOL VERSUS HET CPB"  is gepubliceerd in  in Facta Feb 1995, 3e jaargang no 1, pag 12, dezelfde maand februari dat Pieter Broertjes aan de open haard thuis sprak met professor Thoenes. Ik heb, voor de goede orde, geen reactie gehad van professor Thoenes, noch van Pieter Broertjes.

(e) Het is onjuist om de kwestie van verzorgingsstaat te trekken in een politiek verschil van links versus rechts. Dat is typisch sociologen-gedoe en staat verre van de wetenschappelijke houding van economen.

De verzorgingsstaat, door hem geintroduceerd in 1962, was zijn troetelkind. Hij geloofde in navolging van de Duitse socioloog Karl Mannheim oprecht in de maakbaarheid, het rationeler maken van de samenleving (Sociogische Gids, januari 1994). De wetenschap heeft mensen geleerd dat de wereld maakbaar is, aldus Thoenes. Utopieen waren voorhem geen droom, maar 'het beeld van de maatschappij die we nog niet hebben, maar wel zouden kunnen maken.'. (a) Nee hoor, de verzorgingsstaat is niet door Thoenes geintroduceerd. Wellicht heeft hij als eerste die term gebruikt als vertaling voor "welfare state" maar dan kun je een discussie opzetten over dat vertalen.

(b) Ja, de maatschappij is ten dele maakbaar. Het ligt er maar aan wat je daarmee bedoelt. Wanneer je bijv. chaos wilt maken dan kun je bijv. Irak binnenvallen zonder rekening te houden met wat je moet doen wanneer je het land veroverd hebt. Wanneer je wilt dat J.P. Balkenende en W. Bos van hart tot hart met elkaar praten, dan weet ik het nog niet.

Zijn aanstekelijk optimisme ('we hebben nog duizend kansen') over de toekomstige samenleving had in de loop der jaren wel een knauw gekregen. Tijdens een openbaar debat in de Balie in Amsterdam over de verzorgingsstaat - eind januari 1995 - sprak Thoenes sombere woorden. Hij twijfelde aan de slaagkans van een redelijke maatschappij waarin een ieder gelijke kansen krijgt. (a) Dankzij Pieter Broertjes zijn die duizend kansen weer flink geslonken. Pim Fortuyn en Theo van Gogh hebben de verzorgingsstaat van Broertjes niet overleefd. Zie het falen van de media. Overigens weet ik niet of duizend een goede schatting was. Mijn inschatting is dat het aantal kansen in verhouding staat tot het aantal mensen dat een beetje kan nadenken en dat bereid is om de integriteit van de wetenschap te respecteren.

(b) Het is goed dat dit debat openbaar was. Ik was er overigens niet bij. In 1995 protesteerde ik al zo'n vijf jaar vruchteloos tegen de censuur van de wetenschap. Een openbaar debat is wat zinloos wanneer niemand ueberhaupt reageert wanneer je die censuur aan de orde stelt. Zou ik in de zaal zitten en opmerken dat er censuur van de wetenschap is, dan gaat iedereen me weer raar aankijken, en dat helpt dus niet.

 In een gesprek bij de open haard bij mij thuis, een paar dagen later, deed hij verwoede pogingen dat al te sombere beeld weer wat weg te poetsen. Zo erg was het nu ook weer niet, zei hij, maar hij maakte zich vooral zorgen over de kansen voor jongeren op de arbeidsmarkt. Zijn kleinkinderen dus. Terugkijkend op ons beider nogal turbulente verleden als docent en student viel me opnieuw op hoe zeer Thoenes zich onbegrepen had gevoeld door de protestgeneratie van de jaren zestig en zeventig. De linkse studentenbeweging, waartoe ik ook jarenlang behoorde, zag destijds in de net (1968) tot hoogleraar benoemde Thoenes geen bezielde, intellectuele leider.
In februari 1984 zei Thoenes daarover in de Volkskrant: 'Mijn beeld is dat ik in de jaren zeventig een aantal studenten dingen zag doen en hoorde zeggen waar ik zelf erg voor geweest was en dat ik het jammer vond dat ze niet tegen mij zeiden: "Hee, doe je ook mee", maar dachten: "Oh, dat is een professor, die deugt niet".'
(a) Begrijp ik dus niet. Publiek zeg je A en bij de open haard niet-A. 

(b) Zie dus boven t.a.v. de vraag of Thoenes nu zo gerespecteerd was.

(c) Zie dus boven t.a.v. het verschil tussen economie en sociologie. "Intellectueel leider" is typisch sociologenpraat. Economen daarentegen zien zichzelf niet als "leider". Ze presenteren alleen een gedachte en laten iedereen vrij om daar wel of niet over na te denken.

Elf jaar later, toevallig ook in februari, heb ik Thoenes gezegd dat ik het destijds verkeerd heb gezien. Dat we gebruik hadden moeten maken van zijn wetenschappelijke kennis, zijn engagement, zijn oorspronkelijke visie op de maatschappij van nu en straks en vooral zijn charme. Het ontbrak ons in de jaren zeventig niet aan ideeen (verbeelding aan de macht), noch aan radicaliteit (alles moet anders), maar het ontbrak ons vooral aan goede smaak en strategisch inzicht.
Thoenes luisterde onder het genot van een glas rode wijn aandachtig en zei dat ik 't niet moest overdrijven. Hij had al afgerekend met die tijd: 'We hebben beiden gedaan wat we vonden dat er moest gebeuren. Ik heb er vrede mee, dat zou jij ook moeten hebben.' De rest van de avond spraken we over de veranderde tijdgeest en wilde hij alles weten hoe dat is, een krant als de Volkskrant maken. Onze relatie was volwassen geworden.
(a) Dat is dus februari 1995, toen het Verslag van de onderzoekscommissie "VERSLAG NVMC-COMMISSIE INZAKE TH. COOL VERSUS HET CPB"  is gepubliceerd in  in Facta Feb 1995, 3e jaargang no 1, pag 12. Ik heb dus geen reactie gehad van professor Thoenes, noch van Pieter Broertjes.

(b) Het is mij nog steeds onduidelijk wat die goede ideeen dan waren en hoe je radicaal kunt zijn zonder uitwerking van die goede ideeen. 

(c) Ja, het ontbrak Pieter Broertjes destijds vermoedelijk aan goede smaak en strategisch inzicht. Dat is, althans, nog steeds het geval t.a.v. de censuur van de wetenschap door de directie van het CPB.

(d) Het is natuurlijk gemakkelijk om vrede te hebben met de jaren '60, wanneer je hoogleraar bent, dat salaris of pensioen geniet, voor de open haard aan een wijntje kunt nippen, en wanneer je probleem er met name uit bestond dat studenten je niet serieus namen. 

(e) Ja, hoe is dat, een krant als de Volkskrant maken ?

(f) Nee, dit lijkt me nog steeds geen volwassen relatie. Het was beter geweest dat Thoenes en Broertjes elkaar vertelden dat ze vreselijk geborneerd waren geworden en zich diep moesten schamen.

Eind april schreef hij me nog een briefje waarin hij vroeg of ik iets kon doen voor zijn schoondochter, een videomaakster in opkomst. Dat was Thoenes op z'n best: niet alleen een linkse denker, maar ook een (linkse) doener. (a) Het is beter om wetenschappelijke inzichten t.a.v. de verzorgingsstaat gescheiden te houden t.a.v. de politieke voorkeuren voor links en rechts. (Sociologen doen dat nauwelijks, het blijft opvallend.)

(b) Dit riekt naar nepotisme en vriendjespolitiek.

Pieter Broertjes 
Hoofdredacteur van de Volkskrant / oud-student sociologie RU Utrecht (1973-1979)
 
(a) overzicht van het falen van de media

(b) Coen Verbraak in Vrij Nederland: "PIETER BROERTJES: "IK BORREL NOG STEEDS VAN DE IDEE?N", 4 december 2004, is een ander voorbeeld van het wonderlijke denken van deze hoofdredacteur.