Cohen Stuart gaf in 1889 de analogie dat een brug eerst zijn eigen gewicht moet dragen voordat hij verder belast kan worden. Op soortgelijke wijze moet een mens eerst het eigen bestaansminimum kunnen verdienen, voordat hij voor belasting in aanmerking komt. (1) Deze wijze raad wordt in het Nederland van 1994 niet opgevolgd.
Het is goed de cijfers te noemen, want zij blijven verrassen. Het wettelijk minimumloon is bruto 28 duizend gulden per jaar, en door de werkgeverspremies stijgen de loonkosten naar 34 duizend gulden. Van dit bedrag houdt een alleenstaande netto 21 duizend over, en een kostwinner 24 duizend. Van dit "netto" bedrag gaat vervolgens een deel naar BTW, accijns, en andere heffingen. Iemand die 18 duizend zou kunnen verdienen en daarmee in het eigen onderhoud voorzien, krijgt zo een overbelasting van bijna 100%. Vervolgens zijn minimumschalen in CAOs gangbaar hoger. Iedere overbelasting, ook vanaf 1%, maakt in principe al werkloos. De grote en hardnekkige werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt mag dan niet verbazen.
In 1889 had Cohen Suart zijn omgeving niet mee. Armoe was normaal zoals nu in Afrika. Juist omdat het overal bestond, werd het niet gezien. De verpaupering behoorde tot ieders geestelijke bagage, en liet zich moeilijk wegredeneren of wegdenken. De analogie van de brug was didactisch minder effectief. Een mens kan heel wat lasten dragen voordat hij echt instort. En instorten betekent niets wanneer een mensenleven niets waard is. De levensduur van arbeiders in 1889 was kort, maar de toehoorders van Cohen Stuart waren dat van arbeiders gewend, en wanneer de ene werkman het begaf, dan was er weer een andere, dus wat was het probleem eigenlijk ?
In 1994 is Nederland een welvaartsstaat. Van toehoorders wordt niet meer gevraagd om vanzelfsprekende verpaupering weg te denken. Cohen Stuart’s grootste didactische probleem lijkt zo overwonnen. Zijn analogie krijgt nu betekenis en wint aan overtuigingskracht. In de welvaartsstaat betekent overbelasting immers daadwerkelijke uitschakeling. Een overbelaste werknemer wordt werkloos. Overbelasting is nu inefficiënt. Een overbelaste brug wordt door de staat ondersteund, en is daarmee duurder dan een onbelaste brug. De analogie van Cohen Stuart kan velen tot de verbeelding gaan spreken. Moderne toehoorders worden rechtstreeks geraakt, mogelijk niet in het hart maar wel in de portefeuille. Hierdoor is de kans groter dat men inziet dat de situatie nogal dom is. Het is dom, want belasting heffen in dat lage gebied is niet effectief en leidt toch niet tot het binnenkomen van belastinggelden. Kwijtschelden van "lasten" levert juist geld op. Het verhogen van de belastingvrije voet levert werk op, bespaart uitkeringen, en komt tegemoet aan breed gewenste maatschappelijke doelstellingen van economische vrijheid en bestaanszekerheid.
Voor het goede begrip: er zijn allerlei vormen van werkloosheid. Werkloosheid door het minimumloon verschilt bijvoorbeeld van werkloosheid van kunsthistorici, en verschilt van de WAO. Niet alleen de vormgeving van het minimumloon kost ons geld, ook andere wonderlijke regelingen doen dat. Toch is er reden de minimumloonproblematiek centraal te stellen. Vandaaruit blijkt het generieke probleem van de welvaartsstaat het best te belichten. Is de werkloosheid door het minimumloon doorzien, dan zijn de andere kwesties hanteerbaarder.
Het kernpunt waar het om gaat is, dat het in een welvaartsstaat goedkoper is mensen in staat te stellen te blijven werken - want anders kost het je uitkeringen. Zo’n principe geldt voor alle varianten van werkloosheid, hoe je verder ook de maatregelen per deelveld invult.
Er zijn anderhalf tot twee miljoen mensen in Nederland die zouden willen werken maar dat niet mogen. Dit is 25% van een arbeidsmarkt van 8 miljoen mensen. De poorten naar de WAO zijn opengezet omdat Nederland het probleem niet doorzag. De stijgende sociale uitgaven noodzaakten meer en meer heffingen, en meer en meer mensen werden werkloos. Het verhaal begint bekend te raken. Het effect op de eigen portefeuille is wat minder bekend. Een ruwe maar voorzichtige berekening komt op 1000 gulden per Nederlander. Dat is dus 4000 voor het gezin met twee kinderen, per jaar. Neem een conservatief aantal van een miljoen gedwongen inactieven met een uitkering van zo’n 15 duizend gulden per jaar. Dat is 15 miljard gulden aan uitkeringen. Met 15 miljoen Nederlanders is dat zo’n 1000 gulden per Nederlander. Deze miljoen mensen kosten dit nu, terwijl zij dit zouden opleveren wanneer zij zouden werken. Dan zwijgen we nog over de beheerskosten, criminaliteit, ongemotiveerde leerlingen, en dergelijke. Het ruwe en voorzichtige bedrag van 15 miljard is, voor de goede orde, niet een normale "bezuiniging" zoals we van de laatste decennia gewend zijn geraakt, maar vormt een drastische breuk met dat verleden - de betere term is "ontdomming".
Dat iets bij nader inzien "dom" is, wil niet zeggen dat het onmiddellijk ingezien wordt. Hoe traag het gaat voordat het inzicht doorbreekt, wordt duidelijker wanneer we de miminumloonkwestie nader beschouwen. De moderne politieke discussie over het voorstel tot vrijstelling van lasten op minimumniveau kent frappante momenten.
Het regeerakkoord van het kabinet Biesheuvel uit 1971 noemt: (2)
Het verbijsterende van dit argument viel in die periode niet op. In die periode maakte een alternatieve verklaring voor de werkloosheid furore, het zgn. "Vintaf" model, dat inmiddels - althans voor de buitenwacht - een geruisloze dood is gestorven.
Een aanvullende reden voor het kabinet Den Uyl om de hoge voet te laten varen, was dat het tarief van de eerste schijf 50% zou worden. Als "bezwaar" spoort dit niet met het wetenschappelijk onderzoek. In de publieke discussie is het belang van marginale belastingtarieven stelselmatig verkeerd voorgesteld. Econometrisch onderzoek wijst op het belang van het gemiddelde tarief.
Een belangrijk effect hier laat zich het best met cijfers illustreren. Bij een inkomen van 40 duizend, een voet van 20 duizend en een tarief van 50% betaalt men bijvoorbeeld gemiddeld 25%. Bij een inkomen van 100 duizend is dit gemiddeld 40% belasting. Relevant is vervolgens het effect wanneer tarieven met de inkomens meegroeien. Bij een inkomensgroei met 5% stijgt de voet dan met 1000 gulden. Wie 100 duizend verdient en 5% meer krijgt, krijgt er 5000 bij, en betaalt daarover maar 40% (want 50% over (5000 minus 1000)). Kortom, wanneer de belastingen met de inkomens meegroeien, is ieders feitelijke marginale tarief gelijk aan zijn gemiddelde tarief. Dat is dus heel wat anders en genuanceerder dan het officiële tarief (van 50%).
Vervolgens is voor een goed beeld op de massale werkloosheid een internationale invalshoek nodig. De groei van werkloosheid en armoede is internationaal, en alleen een verklaring die hiermee rekening houdt, kan voldoen. Voor een deel heeft ieder land zijn eigen factoren, maar verrassend genoeg is er een internationaal gelijkluidende factor. Er bestaat de internationale conventie dat belastingtarieven worden aangepast voor de inflatie. Dit geldt "dus" ook voor de belastingvrije voet. Tegelijkertijd heeft het sociaal minimum de neiging te stijgen met de algemene welvaart. Het gevolg is internationaal een excessieve stijging van de loonkosten op minimumniveau, en dus werkloosheid en/of armoede. Vaak wordt de oorzaak bij de technologische groei gezocht, of de internationale concurrentie, maar dit miskent dat technologie en handel juist productiviteit verhogen, en dat de verwoestende werking van het belastingsysteem hierdoor dus juist tegengewerkt en gematigd is. We mogen concluderen dat het wijze advies van Cohen Stuart internationaal van belang is, en internationaal in de wind geslagen is.
Een groot probleem bij een collectieve black-out is dat mensen niet kunnen geloven dat het zo erg is. Politici en ambtenaren lijken zich conscientieus te gedragen, zijn aantoonbaar druk bezet, en verkeren in elkaars gezaghebbende aanwezigheid. De toehoorder raakt verdoofd, en berust. Een Chinees constateerde ooit: de situatie was onhoudbaar, hij duurde al driehonderd jaar. Ook nu zoiets. Ondanks de herinnering van De Vries beschouwen de meeste mensen werkloosheid als een natuurramp waar je maar mee moet leren leven. Feitelijk kent de econoom van 1994 eenzelfde didactisch probleem als Cohen Stuart in 1889. De toehoorders wordt gevraagd zich het onvoorstelbare voor te stellen. Het onvoorstelbare, dat was vroeger dat menselijk lijden beperkt kan worden, en vandaag dat werkloosheid zich laat aanpakken.
Neem als voorbeeld de veel voorkomende vraag, waar het werk vandaan moet komen, wanneer die loonkosten verlaagd worden. Die vraag klinkt redelijk, maar is het nauwelijks, want het betreft een deel van de arbeidsmarkt dat kunstmatig gefrustreerd wordt. In Nederland werken 6 miljoen mensen, en klaarblijkelijk werkt de arbeidsmarkt voor hen dus wel. Dat is de afstemming van vraag en aanbod middels de prijs van arbeid. (3) Werk dat nu gewoon is, liet zich een paar jaar geleden niet eens verzinnen. De markt regelt het. Alleen voor de anderhalf tot twee miljoen mensen die kunstmatig en met aantoonbaar domme regels van de markt worden gehouden, alleen voor hen, wordt de vraag gesteld of de markt wel zou kunnen werken. Met zo’n vraag kunnen we de microfoon eigenlijk beter aan Youp van ‘t Hek doorgeven.
Een medewerker van het Centraal Planbureau gaf in 1992 als stelling bij zijn proefschrift:
De verwante stelling van premier Lubbers was:
Met de kabinetsformatie in zomer 1994 beginnen de gedachten in beweging te komen. Juist op zo’n moment is het nuttig te constateren hoe muurvast alles tot voor kort zat. De verkiezingsprogrammas van de grote partijen bij de verkiezingen van 3 mei falen op het punt van de werkloosheid. De opstellers van die programmas, de topmensen uitgeselecteerd door ons democratisch proces, hebben de argumenten in diverse publicaties blijkbaar niet doorzien. Enkele jaren geleden was de situatie nog erger. In 1989 was gewoon sprake van een regelrecht taboe.
Een effectieve manier waardoor collectieve gekte en maatschappelijke
stagnatie zich bestendigen, is het taboe laten zijn van de relevante aspecten.
Taboes hebben bijna onvoorstelbare gevolgen voor het menselijk gedrag.
Betamelijkheden en procedures die anders normaal zijn, verdwijnen als sneeuw
voor de zon, en het valt buitenstaanders en mensen van een later tijdstip
nauwelijks uit te leggen wat de ware gang van zaken is geweest. Door en
middels het taboe zijn ambtenaren en politici verkeerd omgegaan
met wetenschappelijke analyses over en suggesties voor de werkloosheid.
Dat is een realiteit. Dat dit zo werkt is een cruciaal inzicht. Het heeft
gevolgen voor de wijze waarop we tegen het democratisch proces aankijken
en voor een advies tot een parlementaire enquête (daarnaar).
Inderdaad is de wetenschap al in een eerder stadium reddend toegeschoten voor de verklaring voor de almaar voortdurende werkloosheid. Kijken we naar de publicaties, dan moeten we concluderen dat het voortduren van de massale werkloosheid niet aan de wetenschap heeft gelegen. Zie bijv. publicaties van CPB medewerkers Van Schaaijk in 1983 en Bakhoven in 1988 in het blad ESB (Economisch Statistische Berichten). Zie ook de vele andere referenties in mijn boek van 1992. (5)
Voor de goede orde: verschillende studies hebben rekenschap gegeven van de vele aspecten, zoals de marginale tarieven, inflatie, scholing, emancipatie, etcetera. Aangegeven is dat 20 jaar ontsporing niet zomaar ongedaan kan worden gemaakt. Actieve participatie van de sociale partners is gewenst om alles in goede banen te leiden, met bijvoorbeeld ook een positieve benadering van de "algemeen verbind verklaring" (AVV). Benadrukt zij hoe dan ook dat in het bestek van dit korte opstel niet alles behandeld kan worden. Hier is vooral van belang, dat de informatie bestaat.
Informatie is echter een kwetsbaar goed. Het maatschappelijke en politieke taboe was in 1983 sterker dan de wetenschap. Dat geldt ook tot heel recent. Recente bijdragen en publicaties zijn even goed genegeerd. Zie bijvoorbeeld mijn bijdrage in 1989/90 binnen het Centraal Planbureau aan de CPB-studie Nederland in Drievoud, en vervolgens tijdens de "WAO-zomer" in Trouw 10/8/91, daarna de Volkskrant 24/4/92, Trouw 5/6/93 en AD 25/6/93.
Bekijk ook als voorbeeld de WAO, een puur Nederlandse complicatie die in het internationale beeld ontbreekt. Wetenschappers hebben hier regelmatig gewaarschuwd en de ontsporing van de WAO voltrok zich zeker na 1985 in het volle daglicht. Ondanks al zijn bizarheid heeft deze affaire voor de discussie toch het voordeel dat de kosten extra benadrukt worden. De ontsporing van de WAO is zo gigantisch duur dat het inzicht eerder doorbreekt. In ESB van 18 mei jl. nemen Aarts & De Jong mijn voorstel uit 1989/91 over, WAO uitkeringen efficiënter te benutten, en wel voor loonkostencompensatie. De enige serieuze vraag is alleen, waarom het zo lang moet duren voordat dit inzicht doorbreekt. Waarom wordt de reddende informatie steeds genegeerd ?
Ook hier schiet de wetenschap reddend toe. Het is immers vooralsnog de wetenschap en niet de politiek die concludeert: (i) werkloosheid valt aan te pakken, (ii) het is al langer bekend, en (iii) het ligt dus niet aan gebrek aan kennis dat het nog niet is gebeurd. Deze conclusies worden in toenemende mate door de wetenschap opgepakt. Dezelfde wetenschap die dus al de oplossing voor de werkloosheid op de arbeidsmarkt aanwees, onderzoekt ook de instituties waarin de besluitvorming plaatsvindt, en wijst hier op wegen om de collectieve gekte te bestrijden.
Een kernvraag voor politici, publiek en media is hoe te bepalen wat wetenschappelijk verantwoord is. Niet iedere econoom heeft de kwaliteiten van Tinbergen (voorzover al naar hem geluisterd werd). Sommige belastingwetenschappers hebben de belastingvrije voet verwaarloosd, anderen geven af op de hoge marginale tarieven, weer anderen hadden onjuiste kritiek op het "plan-Bakhoven", velen waren er überhaupt mee onbekend en kwamen met de eigen analyses. Gelauff in zijn proefschrift (op. cit.) rekent verhoging van de voet heel anders door dan hier wordt voorgesteld. Men wordt aldus overstelpt met een kakofonie. De voorgaand samengevatte analyse is ook maar ontstaan na jaren econometrische arbeid, en niet iedereen kan dat herhalen of van anderen beoordelen.
Als antwoord op de kakofonie zou doof-zijn een overlevingsstrategie zijn, maar dit past helaas niet in het ideaalbeeld van onze cultuur en democratie. Om die reden zijn er diverse instellingen die de informatiestroom reguleren. Hier zijn we weer op het terrein van het organisatievermogen van onze democratie.
Een belangrijke speler in de Nederlandse economische beleidsvoorbereiding is het CPB. Het blijkt dat het CPB helaas geen wetenschappelijk instituut is, en, mede daardoor, onvoldoende beveiligd tegen de werking van interne of externe taboes. Extern wordt een potentieel nuttige rol van het CPB gemangeld door een verkeerde scheiding van machten binnen de Trias Politica. Het voorbeeld is hier de al 20 jaar voortdurende massale werkloosheid. Intern is er een gerelateerd voorbeeld van meer recente datum. De huidige directie van het CPB gebruikt aantoonbaar arbeidsrechtelijke middelen om de inhoud van de discussie van zijn wetenschappers te sturen. Deze directie heeft onder meer in 1990 publicatie van een artikel over het onderhavige onderwerp, de werkloosheid en het maatschappelijk organisatievermogen, tegengehouden. Deze censuur is in 1993 door de rechter vernietigd. Inmiddels is een nieuwe grond gegeven om de publicatie tegen te houden, en ook die grond deugt van geen kant en ligt nu voor aan de rechter. Voorbeelden als dit staan niet op zichzelf. Bizar is dat in 1989 nadat een top-ambtenaar van EZ tot directeur van het CPB was benoemd, de nieuwe directie verklaarde dat het CPB een "onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut" zou zijn - in strijd met de wet, de praktijk, de opinies van wetenschappelijke economen, (6) en het eigen gedrag.
Mijn analyse en advies was in 1990 en blijft in 1994 dat als het parlement consistent wil blijven, het een enquête moet houden naar de zo’n twintig jaar voortdurende massale werkloosheid en de voorbereiding van het economisch beleid, en daarbinnen in het bijzonder naar de rol van het CPB. Dit betekent met andere woorden een studie van de relatie politiek versus CPB.
De enquête zou de aanpak van de werkloosheid versnellen. In 1989/90 was mijn raming dat het zonder enquête zo’n tien jaar zou duren. Een en ander is voorstelbaar zonder zo’n enquête en zonder aanpassing van het CPB. Op grond van de informatie van dit opstel kunnen politici altijd aan de gang gaan en mogelijk wat nuttigs verzinnen. Evenwel zijn de misverstanden en belangen rondom de werkloosheid uitermate groot, en de voordelen van een enquête zijn evident.
Overigens kan ook de Eerste Kamer een enquête instellen. Waar juist ook de rol van de Tweede Kamer binnen het geheel relevant is, is het belangrijk deze mogelijkheid te zien.
Het advies tot een enquête is verantwoord, in zichzelf, maar ook in het licht van de demografische en ecologische uitdaging van de 21e eeuw en de actuele ontwikkelingen in Oost Europa. (7) We moeten leren van de grote fouten van het verleden, juist omdat de toekomst het risico bevat dat herhaling daarvan nog strenger afgestraft zal worden.
Ons systeem van beleidsvoorbereiding bevat endemische fouten die funest zijn geweest voor de welstand, bestaanszekerheid en levensvreugde van miljoenen. Dit is een conclusie die niet alleen internationaal geldt, maar ook in de tijd gezien, want eenzelfde falen gold in het interbellum. Er was een oorlog voor nodig voordat naar Keynes en Tinbergen werd geluisterd. (8) Het voert hier te ver om in te gaan op de huidige tendenzen richting 21e eeuw. (9) De gemeenschappelijke noemer in tijd en ruimte is de Trias Politica, het fundament van de westerse democratie, de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke macht. De bestaande toedeling van taken en checks & balances in de organen van onze democratie leidt tot een politiek proces, waarin de economische vrijheid en bestaanszekerheid van de burgers blijkbaar niet de aandacht en prioriteit krijgen die, zal men toegeven, gewenst zijn. Aanpassing en verdieping van de democratie tot een high definition democracy is gewenst.
Het advies tot de enquête naar het CPB betreft juist dit. Na de tweede wereldoorlog hebben diverse landen economische adviesinstellingen opgericht. Bijv. in de USA de CEA (Council of Economic Advisers), in Nederland het CPB. Welbeschouwd was dit een voorzichtige institutionalisering van het ‘luisteren naar Keynes en Tinbergen’. Het heeft bijgedragen tot een grotere mate van rationaliteit en bescherming van de bestaanszekerheid van de burgers. Een herhaling van de Grote Depressie is voorkomen, we hebben slechts de Grote Stagflatie gehad.
Met deze constatering is echter wel de positie van dergelijke instituten
- voor Nederland het CPB - te heroverwegen. Een grotere scheiding van machten
dan de Trias Politica is gewenst. De grondwettelijke uitbreiding met een
wetenschappelijk gefundeerd en dus onafhankelijk Economisch Hof is gewenst.
Dit is geen perfectionisme maar een kleine doch democratisch cruciale stap.
Ook in de rechtsspraak, met de Hoge Raad, zal niet alles perfect geregeld
zijn, maar dat heeft onze voorouders er niet van weerhouden om een en ander
toch maar zo te regelen.(10) Hoe voorzichtig ook
we zelf ten aanzien van nieuwe regelingen zijn geworden, het economisch
bestuur van het land blijkt evenzeer bepaalde waarborgen te vereisen. (11)