Beroepsethiek en zin & onzin van een beroepscode zijn momenteel weer in de aandacht. Dit doet denken aan zo’n 20 jaar geleden toen de discussie ook een kleine hausse kende. Het bestaan van dergelijke hausses doet het bestaan van een conjunctuur vermoeden. Zo’n verloop laat zich denkelijk zelfs bevestigen en meten via het percentage woorden in de gedrukte media. Waar dan van een conjuctuur sprake is, zullen velen zich terughoudend opstellen. Menigeen zal de nieuwe discussie zien als de zoveelste aanwijzing voor de mode-gevoeligheid van de (post-) moderne mens. Wie zichzelf als een serieuze student van het gewichtig onderwerp van de beroepsethiek beschouwt, zal eerder belangstelling voor de structurele ontwikkeling hebben. Evenwel, hier valt te bedenken dat een conjunctuur heel goed een trend kan onderbouwen. De verklaring voor een conjunctuur hoeft niet vluchtig te zijn. Sommige discussies verlopen van nature stapsgewijs, met name wanneer resultaten van eerdere discussiefasen moeten betijen alvorens op grond van de opgedane ervaring verder gediscussieerd kan worden.
De recente aandacht voor de beroepsethiek heeft interessant genoeg een ander karakter dan die van destijds. Tegenwoordig staat veel sneller de wetenschappelijke integriteit ter discussie. Een goede analogie is hier het onderscheid tussen doodslag en moord - niet zozeer een academisch onderscheid maar iets waarover rechters competent zijn gesteld te oordelen. Waar het rond 1975 erom ging te ontdekken wat een goed wetenschapper moet doen (bovenal vermijden van doodslag, geen verkeersongelukken maken), richt de aandacht in 1994 zich eerder op de mogelijke opzet (achterhalen of ‘het ongeluk’ ook moord was).
Bekijk het conjunctuurverloop nog eens nader. In de jaren zeventig was er bijv. de maatschappelijke kritiek op de volkstelling, en wetenschappers waren geschrokken van hun macht en van het bestaan van allerlei onvermoede effecten. In de nieuw gecreëerde Beroepscode van de NVMC van 1975 nam de wetenschapper zich derhalve voor de privacy van informanten te beschermen. Zij nam zich voor de kwaliteit van het beroep te bevorderen, bijvoorbeeld "door het correct aanbrengen van een onderscheid tussen hypothesen, bewezen resultaten en beleidsaanbevelingen". (1) Nu, in 1994 met koude kernfusie, Gallo en Buck, krijgen verdenkingen van fraude, bewuste oplichterij of pathologische verwording de meeste aandacht. (2) De actuale kwestie blijkt te zijn hoe te achterhalen of de professor nog wel oprecht bezig is. (3)
De wetenschap staat in 1994 a.h.w. met de rug tegen de muur. De discussie over de beroepsethiek was altijd al verdedigend van karakter en nu helemaal. De situatie is zo wanhopig dat de integriteit ter sprake komt.
Het beeld dat uit dit verloop opspringt is niet mis: het wetenschappelijk forum heeft nagelaten de regelgeving te laten meegroeien met de complexiteit van de wetenschap.
De maatschappij is sinds 1975 wijzer geworden. Er zijn in 1994 teveel hoogopgeleiden die van hun eigen terrein reeds weten wat er mis kan gaan, en die zich niet laten misleiden door de schone schijn van anderen. Daarnaast is er de inhaalslag. Bijvoorbeeld werd eind december 1993 bekend dat de overheid ca. 40 jaar geleden proeven met radioactiviteit deed op onwetende burgers. Er zijn wel meer incidenten die het vertrouwen van de burger ondergraven. In 1975 waren de wetenschappers niet naief want ze wisten op zijn minst van de ‘experimenten’ in de tweede wereldoorlog. Toch laat zich vaststellen dat in 1975 slechts eerste stappen werden gezet en dat er ook volgende stappen bestaan.
Dit geldt in het bijzonder de beroepscode van 1975 van de NVMC (op. cit.). Bij het bestaan van regels moet je ook de logische conclusie trekken dat iedere regel het handhavingsprobleem heeft. Er zijn altijd lieden zijn die zich - al dan niet bewust, maar dus ook soms bewust - niet aan regels houden, en die (proberen te) verbergen dat ze zich er niet aan houden (die na het ongeluk doorrijden). Het besef van het manco, van deze nog te zetten stappen, begint langzamerhand manifest en nijpend te worden.
De introductie van ‘integriteit’ in de discussie is eerder een waarschuwingssignaal dan een oplossingsrichting. ‘Oprechtheid’ is natuurlijk vooral een retorische term. Een lid van het Amerikaanse Hooggerechtshof maakte - naar verluid - ooit de opmerking dat mensen die over recht en rechtvaardigheid begonnen hem argwanend maakten, en dat hij zich liever tot de wet beperkte. (4) Op dezelfde wijze is spreken over oprechtheid - hoe begrijpelijk ook voor mensen die een bezwaar niet exact kunnen of willen aangeven - vooral een zwaktebod. In plaats van oprechtheid moeten we toetsbare criteria hanteren. Waar de aandacht voor integriteit op een inhaalslag duidt, zal regelgeving daar invulling aan moeten geven.
Mijn voorstel is de problematiek vooral te zien in het licht van de toenemende specialisatie die - zoals bekend van Adam Smith - te beschouwen is als de motor van de economische vooruitgang.
Niet iedere specialisatie is een vooruitgang, maar in dit geval zou daar wel sprake van zijn. De Amerikaanse voorliefde voor advocaten is deels een gevolg van hun cultuur, deels echter een uiting van grotere rijkdom - en kan dan niet zonder meer als bizar en overtrokken terzijde geschoven worden. Met de toenemende specialisatie tot op heden is wellicht de wetenschap vooruit gekomen, maar, is de regelgeving nog niet noodzakelijkerwijs meegekomen. Het op peil brengen van de regelgeving is een gewenste specialisatie.
Hiermee hebben we de huidige discussie herleid tot een praktische kwestie. Als altijd gaat het om het vinden van het goede evenwicht tussen regulering en prijsmechanisme (laissez faire, laissez aller). (5) Dat is de inzet van de huidige discussie.
Ter verheldering bespreek ik twee andere meningen. Zij bepleiten hetzij de casuïstiek (als onderdeel van regulering) hetzij de status quo (wellicht opgevat als vrijheid). Daarna kom ik terug op de regulering en sluit af met een casus.
In Facta 6/10/93 bepleit Mark Bovens bij al diegenen die een beroepscode een warm hart toedragen, een groter gebruik van casuïstiek. Hij stelt:
Wat te doen met Bovens’ stelling "Het is nu eenmaal buitengewoon lastig om algemene regels op te stellen" ? Het is een waarheid als een koe. Juist omdat het zo lastig is, en omdat er desalniettemin een economische (huishoudelijke) behoefte aan regulering is, is het debat over regels nuttig en - op zijn tijd - interessant. Vanzelfsprekend is het een keuze. Je kunt ervoor kiezen geen vuurstenen bijl te maken of geen dijk aan te leggen of niet het hoofd te breken over de kwadratuur van de cirkel. Dat mag. De vraag is alleen of die desinteresse op de weg van de wetenschapper ligt. Als alternatief, bijvoorbeeld, kun je proberen het vraagstuk op te lossen hoe je twee personen in staat kunt stellen een taart eerlijk te verdelen. Een eerste antwoord is, dat je de één laat snijden en dan de ander laat kiezen. Dat lijkt redelijk. Probleem is dan, dat het voor iedereen voordelig is de ander te laten beginnen met snijden, want niemand snijdt perfect, en dan kun je zelf het grootste stuk kiezen. Een betere oplossing is derhalve het lot te laten bepalen wie mag beginnen. Het is niet perfect, maar het loont wel de moeite te zoeken naar algemene praktische regels. Op soortgelijke wijze blijft regulering van de wetenschap van belang.
De suggestie van Bovens lijkt me vooral nuttig om een kanaal van wederzijds begrip tussen de diverse subculturen open te leggen. De populariteit van regelgeving verschilt per subcultuur. Bij de normale wetenschap is deze impopulair, bij juristen populair. Zoals gezegd, wanneer de wetenschap zich zo sterk afsluit voor regelgeving als nu het geval is, dan mag het niet verbazen dat sommigen (waaronder diensten van de Amerikaanse overheid) zich geforceerd zien - helaas - de discussie voornamelijk te gaan voeren in termen van integriteit en oprechtheid. Het gevaar bestaat dat wetenschappers zich helemaal van iedere discussie afwenden, de beledigde onschuld gaan spelen (wiens integriteit nota bene ter discussie wordt gesteld !) en straks helemaal de kous op de kop krijgen. Beter is, dat er een sfeer ontstaat waarin als normaal geaccepteerd wordt dat er regelmatig problemen bestaan - die ook met gepaste zorgvuldigheid opgelost worden. Dat betekent dat problemen die zich voordoen goed gedocumenteerd worden, door gekwalificeerde rechters, in plaats van zo snel mogelijk toegedekt.
In de NRC 4/11/93 meent Piet Borst dat nieuwe regelgeving averechts
zal werken:
Ook Borst ontkomt niet aan het zoeken van een evenwicht tussen marktmechanisme (geldprikkels en sociale controle) en regulering (regels en casuïstiek).
Laten we vervolgens geen sfeer scheppen waarin het stempel van querulantie al klaarligt. Laten we hier in het bijzonder mee oppassen voor iemand die in een situatie komt die al moeilijk genoeg is (een probleem aan de orde stellen), en die zichzelf eerder als getuige ziet maar plots tot klager of aangever wordt. Het controleren van resultaten van collegas behoort tot het normale wetenschappelijke werk. Het behoort - gewoon - tot de mogelijkheden dat een dergelijke controle plaatsvindt in een omgeving waarin rechterlijke waarborgen nuttig en vereist zijn. Dat gebeurt bijvoorbeeld (a) omdat er twijfel is ontstaan aan het wederzijds vertrouwen, (b) omdat ook de maatschappelijke positie een rol speelt. Het afwijzen van die waarborgen - of althans de menselijke pogingen daartoe - in de veronderstelling dat het vanzelf wel goedkomt, is alleen al op logische grond niet vol te houden wanneer die waarborgen juist nodig blijken.
Het is onverantwoordelijk frivool, de ervaring van een eeuwenoud instituut voor de intermenselijke conflicthantering opzij te schuiven.
Een analogie is hier nuttig. Moderne economen - met de les van Oost Europa fris op het netvlies - erkennen dat een moderne economie - met juist al zijn vrijheden - ook afhangt van een functionerende rechtsstaat. Dit blijft vooralsnog een analogie, maar het argument laat zich begrijpen, dat ook een vrije wetenschapsbeoefening sterk afhangt van zo’n context.
Iedere (normale) wetenschapper zal begrip hebben voor Borst’s standpunt dat hij zich graag met zijn eigen vak bezighoudt, en dat hij helemaal geen behoefte heeft aan de sores van procedures, rechtszaken, en wat al niet. (6) Dit standpunt gaat - zoals men snel inziet - aan het eigenlijke argument voorbij. Het is niet de bedoeling wetenschappers in hun normale werk met een last op te zadelen. Het is de bedoeling om een apart specialisme een kans te geven die in feite de last overneemt (en door verfijning verlicht). Anderen dan Borst kunnen zich op de beroepscode concentreren. Overigens zullen ze Borst’s "gevaarlijke querulanten" wegspelen, beter dan hij dat kan door de status quo te handhaven.
Specialisation is an offer you can’t refuse. Wanneer Borst een paar tientjes hogere contributie of belasting had willen betalen, dan had hij zich de ramp van het verlies aan zijn onderzoeksuren bespaard.
In antwoord op de voorgaande terughoudendheid is het nuttig nog eens expliciet de zinvolheid van regulering te benadrukken, ook in het licht van de toenemende specialisatie als motor van de vooruitgang.
Zeker sociale wetenschappers zouden mogen erkennen dat wetenschap geen bijzonder positie kan claimen ten opzichte van andere beroepen. Wetenschap is een bezigheid als brood bakken en billen wassen. Wetenschap heeft commerciële en politieke kanten. Een wetenschapper moet ook eten en dus een product verkopen. Een wetenschapper die zegt dat de keizer geen kleren aanheeft, pleegt een politieke daad.
Dat kwaliteitsbewaking tot het dagelijks werk behoort, is geen argument dat de wetenschap van het broodbakken onderscheidt. De verantwoordelijkheid van de bakker om geen gif en zand met het deeg te mengen, spoort met de verantwoordelijkheid van de wetenschapper om te streven naar waardevrijheid en waarheidsvinding. Het ene is niet belangrijker dan het andere. Op de keper zijn ze hetzelfde. Slechts in verschijningsvorm zijn ze anders.
Deze visie kan verdedigd worden met de nodige theoretische onderbouwing en empirische waarneming.
Theoretisch geldt dat waarden en feiten geen tegengestelde polen zijn, maar verschillende dimensies, en dan nog zonder natuurlijk nulpunt. Gebeurtenissen worden gescored in alle dimensies, en niet slechts op één dimensie met uitsluiting van de andere. Een wetenschapper die waardevrijheid voorop stelt, wat ook mijn positie is, zal tegelijk moeten erkennen dat wetenschap zelf bepaalde waarden inhoudt. Het blijft - derhalve - altijd voortmodderen op het mijnenveld van de condition humaine.
Empirisch laat zich vaststellen - dan wel verdedigen - dat de wetenschap met zijn normen van openheid en tolerantie het prototype is van de humane en liberale maatschappij - en daarmee hoogst politiek. Onderzoekers die zich terugtrekken in de ‘ivoren toren’ maken vooral ook hun politieke machtspositie kenbaar, dat ze een hobby kunnen najagen met een zeker voorbijgaan aan allerlei machtsprocessen (behalve het fundamentele t.a.v. hun natje en droogje). De keuze, in de maatschappij of in de toren te staan, kan men - ten overvloede - slechts baseren op waardeoordelen.
Wegens hun positie in wetenschap en handel hebben wetenschappers belang bij bewaking van de wetenschappelijke kwaliteit en de bescherming van de beroepsgroep. Bescherming verdient - logisch - het individu. Wetenschap vernieuwt per definitie, en ook de modale wetenschapper is gebaat bij bescherming tegen problemen met de omgeving. De voorbeelden uit de fysica van Galileï tegen de paus, en mogelijk ook Einstein tegen Hitler, zijn dramatisch, maar het zijn wel voorbeelden. Het is juist politiek wanneer men de bescherming van een wetenschapper wil overlaten aan diens reputatie bij het grotere publiek. Juist sociale wetenschappers zijn vertrouwd met de werking van het taboe, en zij zien zichzelf, als onderzoekers van de maatschappij, extra kwetsbaar door wat zij over die maatschappij naar voren brengen.
Dat wetenschap in aanleg geen bijzondere positie heeft en vervolgens wel belang heeft bij een praktijk van extra zorgvuldigheid t.a.v. het individu, leidt ertoe dat het alleszins redelijk is om te overwegen de beroepscode in het gewone recht te verzinken. Zelf nogmaals het wiel van de rechtspraktijk uitvinden is toch inefficient. De andersheid van deeg mengen en citeren nodigt uit tot nadere regelgeving - d.w.z. omschrijving ten behoeve van de verheldering. Het aantal regels kan fors groeien, doch dat is niet bezwaarlijk bij een helder taalgebruik en een goed (CD-rom) zoeksysteem. Bij voldoende omvang is er sprake van juridische specialisatie en mogelijk een bloeiende professie.
De voordelen van deze specialisatie zijn duidelijk. Een wetenschapper heeft in zijn werk per definitie dagelijks met de beroepsethiek te maken, doch de jurisprudentie dienaangaande zal niet zijn specialisatie zijn, en dus zal hij in uitzonderingsgevallen een beroep op de specialist willen doen. Het bestaan van zo’n specialist is vergelijkbaar aan de verzekeringspolis. Men hoopt er nooit een beroep op te hoeven doen, maar heeft die polis wel.
Een beroepsvereniging kan het bestaan en gebruik van die specialisten bevorderen. Vervolgens heeft een afzonderlijke beroepscode naast het recht toch wel enig bestaansrecht als instrument tot ontwikkeling van jurisprudentie en eventuele bevordering van wetswijziging.
Zoals gezegd heeft het nut aparte gevallen in de schijnwerper te plaatsen.
Als voorstel bevat de appendix een casus met een rijke probleemstelling.
De hoofdstelling is dat het Centraal Planbureau - dat claimt een wetenschappelijk
instituut te zijn - dat evenwel niet is. Een substelling is dat het bureau
op oneigenlijke wijze arbeidsrechtelijke middelen gebruikt om de inhoud
van de (volgens eigen zeggen wetenschappelijke) discussie te sturen. Het
laat zich vermoeden dat een goede studie van de casus verschillende vakgebieden
beslaat en enige jaren in beslag kan nemen. De casus sluit goed aan bij
de groeiende wetenschappelijke belangstelling voor "instituten" en hun
invloed op het maatschappelijk proces. De casus kan verhelderen welke de
positie is van wetenschappers in complexe organisaties. Een vraag is of
bestaande procedures binnen de rijksoverheid toereikend zijn, wanneer politici
bewust vage compromissen sluiten en zaken dus niet goed regelen. De appendix
beperkt zich tot het hoognodige en de auteur is beschikbaar voor een bespreking.
Het is niet meer dan passend dat wetenschappers het normaal gaan vinden dat er problemen bestaan, en dat hiervoor enige regulering nodig is.
Elke sociale groep heeft de neiging om regelgeving uit te weg te gaan. Wanneer een koning stelt dat hij tot A bevoegd is, dan kan dat uitgelegd worden dat hij accepteert niet tot B bevoegd te zijn, en dat kan voor die koning reden zijn om ook maar over A te zwijgen. Of de koning delegeert het onderwijs, en plotseling gaan de onderdanen alles ‘onderwijs’ noemen. Regels zijn maar lastig. Het zijn vervolgens de machtigen die de toon zetten - of de toonzetters die de macht hebben - en die de meeste weerzin hebben tegen regels die hun bewegingsvrijheid beperken. Praten over fouten, en helemaal fraude en oplichting, kan dan zelfs taboe zijn. Feitelijke wetenschap is niet beter dan andere groepsprocessen.
Anderzijds, regels hebben ook hun voordelen - anders hadden we er niet zoveel. Laat de wetenschap inspelen op het verschijnsel dat machtigen soms juist wel belang bij regels kunnen hebben, omdat ze door de belofte macht te zullen afstaan, juist aanhang verwerven. Op deze wijze kan de wetenschap de historische trend blijven zetten.
De hoofdcasus is dat ‘het Centraal Planbureau’ claimt dat het CPB een
wetenschappelijk instituut is terwijl het dat niet is. Een subcasus is
dat de huidige directie van het CPB op oneigenlijke wijze arbeidsrechtelijke
middelen gebruikt om de inhoud van de discussie tussen zijn wetenschappers
te sturen.
In april 1989 publiceerde de huidige directie van het CPB de brochure "Het Centraal Planbureau". Daarin wordt gesteld:
De casus zou, naast het gestelde, kunnen verhelderen dat bijv. de positie
van individuele wetenschappers in research instellingen van de overheid
niet goed geregeld is, met name ook in de zin, dat er weinig middelen bestaan
om op een goede manier uit slecht geregelde situaties te geraken.