De democratie en de beleidsleugen
Thomas Cool Econometrist, voorzitter van het Sociaal Liberaal Forum,
Het officiële werkloosheidscijfer voor Nederland ligt rond 3%. Evenwel verbergt Nederland vele werklozen in de WAO, VUT en bijstand, zodat het on-officiële percentage minstens 20% is. Tegelijkertijd blijkt 10% van alle huishoudens, zo’n 650 duizend gezinnen, op of onder het sociaal minimum te verkeren. Werkloosheid en armoede zijn hier innig met elkaar verbonden. Er is ook een duidelijk verband met de portefeuille van de rijkere burger.
Die betaalt namelijk de uitkeringen. Neem een conservatief aantal van een
miljoen gedwongen inactieven met een uitkering van zo’n 15 duizend gulden
per jaar. Dat is 15 miljard gulden aan uitkeringen. Met 15 miljoen Nederlanders
is dat zo’n 1000 gulden per Nederlander. Dat is dus 4000 gulden voor het
gezin met twee kinderen, per jaar. Deze miljoen mensen kosten dit nu, terwijl
zij dit zouden opleveren wanneer zij zouden werken. Dan zwijgen we
nog over de beheerskosten, criminaliteit, ongemotiveerde leerlingen, en
dergelijke.
Er is ook een heldere oplossing voor het probleem van de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. In 1889 gaf de hoogleraar economie Cohen Stuart de analogie dat een brug eerst zijn eigen gewicht moet dragen voordat hij verder belast kan worden. Op soortgelijke wijze moet een mens eerst het eigen bestaansminimum kunnen verdienen, voordat hij voor belasting in aanmerking komt. Deze wijze raad wordt in het Nederland niet opgevolgd. Het is goed de cijfers te noemen, want zij blijven verrassen. Het wettelijk
minimumloon vanaf Januari 2001 is bruto 33 duizend gulden per jaar, en
door de werkgeverspremies stijgen de loonkosten naar 37 duizend gulden.
Van dit bedrag houdt een alleenstaande netto 26 duizend over. Van dit “netto”
bedrag gaat vervolgens een deel naar BTW, accijns, en andere heffingen.
Iemand die 26 duizend zou kunnen verdienen en daarmee in het eigen onderhoud
voorzien, en die daarmee een brug is die zijn eigen lasten draagt, krijgt
zo een overbelasting van bijna 100% - want hij of zij moet eerst 37 duizend
kunnen verdienen om te mogen werken. Vervolgens zijn minimumschalen in
CAOs gangbaar hoger. Iedere overbelasting, ook vanaf 1%, maakt in principe
al werkloos. De grote en hardnekkige werkloosheid aan de onderkant van
de arbeidsmarkt mag dan niet verbazen.
In 2001is Nederland een welvaartsstaat. Voor de toehoorders is verpaupering
niet meer vanzelfsprekend. Cohen Stuart’s grootste didactische probleem
lijkt zo overwonnen. Zijn analogie wint aan overtuigingskracht. In de welvaartsstaat
betekent overbelasting immers dat een werknemer werkloos wordt en een uitkering
krijgt. Overbelasting is nu inefficiënt. Een overbelaste brug wordt
door de staat ondersteund, en is daarmee duurder dan een onbelaste brug.
De analogie van Cohen Stuart kan velen tot de verbeelding gaan spreken.
Moderne toehoorders worden rechtstreeks geraakt, mogelijk niet in het hart
maar wel in de portefeuille. Hierdoor is de kans groter dat men inziet
dat de situatie nogal dom is.
Merk ook op dat de kwestie gratis opgelost kan worden. Doordat mensen niet beneden het minimumloon van 37 duizend gulden mogen werken, in voltijds banen althans, komen daar geen belastinggelden binnen, en kost afschaffing van belastingen daar dus niets. Er zijn verschillende modellen beschikbaar hoe zoiets op te lossen is. Kwijtschelden van “papieren lasten” levert juist geld op. Het verhogen van de belastingvrije voet levert werk op, bespaart uitkeringen, en komt tegemoet aan breed gewenste maatschappelijke doelstellingen van economische vrijheid en bestaanszekerheid. Voor het goede begrip: er zijn allerlei vormen van werkloosheid. Werkloosheid door het minimumloon verschilt bijvoorbeeld van werkloosheid van kunsthistorici, en verschilt van de WAO. De WAO is een ander schoolvoorbeeld van bestuurlijke incompetentie en leugenachtig bestuur. In Februari zal de commissie Donner haar rapport over de WAO rapporteren. Die discussie komt beslist terug. Momenteel is er echter reden de minimumloonproblematiek centraal te stellen. Vandaaruit blijkt het generieke probleem van de welvaartsstaat het best te belichten. Is de werkloosheid door het minimumloon doorzien, dan zijn de andere kwesties hanteerbaarder. --- Merk op dat deze minimumloon-werkloosheid een internationaal karakter heeft. In het OESO gebied bestaat de conventie dat landen hun belastingen voor inflatie corrigeren. Tegelijkertijd is het een sociale conventie dat het bestaansminimum wordt aangepast voor inflatie én de algemene welvaartsgroei. Derhalve ontstaat een hefboomwerking, waardoor netto en bruto uitelkaar groeien. In de jaren ’50 kon een minimumloner nog aan de slag voor netto = bruto, inmiddels moeten de brutoloonkosten 40% hoger zijn om alle belastingen en premies te kunnen opbrengen. Internationaal bestaat ook het beleid om de marginale belastingtarieven te verlagen, met als doel de prikkel tot werken te verhogen. Uit economisch onderzoek blijkt evenwel dat dit beleid ook op verkeerde premissen is gebaseerd. Met dit proces is m.i. ook verklaard hoe het is kunnen gebeuren dat we in de jaren ’50 en ’60 nog volledige werkgelegenheid hadden - terwijl het sindsdien niet gelukt is. De huidige politici zijn gevangenen van verkeerde economische concepten, en de maatschappij wordt door hen in gijzeling genomen. --- De belangrijkste oorzaak voor armoede is werkloosheid. Werkloosheid en armoede vormen samen belangrijke factoren voor maatschappelijke onzekerheid en onrust. Werk draagt bij tot een sociale positie en tot zingeving. Werkloosheid leidt tot afhankelijkheid en gevoelens van zinloosheid en onverschilligheid. Dreiging van werkloosheid leidt tot onrust en soms politiek geweld. Andere factoren, zoals religieuze onverdraagzaamheid en nationalisme, zijn hier ook van belang. Ik spreek hier evenwel als econoom, en zal derhalve niet ingaan op die andere factoren - doch merk op dat werkloosheid de negatieve aspecten daarvan kan versterken. In de jaren ’30 kende de hele Westerse wereld een grote depressie, die een decennium lang aanhield, en die een factor is geweest voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Sinds de jaren ’70 kent de wereld wederom een grote werkloosheid. In het laatste decennium is deze werkloosheid in de VS gedaald van 8% naar 4%, maar dit is gepaard gegaan met het ontstaan van de ‘working poor’. Indien in de VS een nieuwe recessie ontstaat, zal het probleem van de armoede zich verscherpt aftekenen. In Duitsland en Frankrijk is de werkloosheid nog steeds 10%. De Nederlandse werkloosheid is o.a. zo laag doordat wij, met onze lage-lonen beleid, in feite onze zorgen op die landen afwentelen. Tegelijkertijd is de werkloosheid voor de voormalige oostblok-landen dramatisch: want daar ontbreekt het sociale vangnet vrijwel geheel. De positie van Rusland mag ons daarbij extra zorgen baren, want de levensverwachting is afgenomen, ziektes als AIDS en resistente vormen van TBC zijn in opmars. Met name de situatie rondom AIDS schijnt explosief te zijn: de Volkskrant van 3 januari 2001 bericht dat het Russische ministerie van volksgezondheid verwacht dat in 2005 10 miljoen Russen AIDS kunnen hebben, één op de vijftien Russen - een ongelooflijk bericht. Ondertussen is het probleem van de rondslingerende kernwapens lijkt nog niet opgelost. Willen wij deze werkloosheid in de hele wereld begrijpen, dan moeten we mijns inziens kijken naar een gezamenlijke factor in ruimte en tijd. Niet alleen nu, maar ook de jaren dertig. Niet alleen hier, maar ook in de andere democratieën. Ik merk dan op dat er in de jaren ’30 reeds economen waren die aangaven hoe de werkloosheid kon worden aangepakt. Dat waren niet de geringste economen: mensen als Jan Tinbergen en John Maynard Keynes. Evenzo zijn er voldoende economen sinds 1970 geweest die hebben aangegeven hoe je de huidige werkloosheid kunt aanpakken. Het is dus niet zo dat er geen nette en verstandige economische oplossingen zijn. Het enige is dat er door ‘de politiek’ niet naar die oplossingen geluisterd wordt. De conclusie luidt dat in ons democratisch bestel, hoe democratisch ook, stelselmatig voorbij wordt gegaan aan de fundamentele belangen van de burger, aan zijn vrijheid en bestaanszekerheid. Voor een meerderheid van de burgers bestaat er wel aandacht voor een aantal belangen, maar blijkbaar toch niet alle, en voor een minderheid worden deze belangen met de voeten getreden. Er is een tak van de economische wetenschap, de Public Choice, die het
gedrag van politici en bureaucraten bestudeert onder de veronderstelling
dat zij hun eigen belang nastreven en niet het algemeen belang. Ik gebruik
de term ‘beleidsleugen’ wanneer de overheid beweert te zorgen voor bepaalde
belangen, maar dit niet werkelijk doet - en eigenlijk ook zelf wel weet
of kan weten dat dit eigenlijk niet gedaan wordt. Er is sprake van een
beleidsleugen wanneer gedaan wordt dat het om het algemeen belang zou gaan,
terwijl dat belang juist in de knel komt door de andere, meer verborgen,
private belangen.
Het is duidelijk dat al deze kwesties sterke politieke kanten hebben, en dat in alle gevallen sprake zal moeten zijn van een politiek compromis. Het is dan misschien te gemakkelijk om kritiek te hebben. Evenwel, in deze kwesties moeten we scherp onderscheid maken tussen enerzijds het politieke oordeel en anderzijds de inhoudelijke kant en de zakelijke deskundigheid. Maken we dit onderscheid niet, dan ontstaat te snel een vermenging van politieke discussie en inhoudelijke aspecten, en wordt alles tot een brei. Ik heb hier een aantal beleidsleugens genoemd die ook de bemiddelde burger raken. Ik hoop hiermee een breder draagvlak te hebben geschapen voor het begrip t.a.v. de kwesties rondom werkloosheid en armoede. Hier speelt hetzelfde probleem: de vermenging van politiek en inhoud. Eerder werd opgemerkt dat goede oplossingen werden aangedragen door economen, maar dat dit niet leidde tot uitvoering van deze plannen. De oorzaak is hier hetzelfde. Politici hebben andere belangen dan het algemene belang, en in het algemeen menen zij het beter te weten. Het model van onze huidige democratie kent de scheiding der machten
die aan Montesquieu is ontleend: de scheiding van de wetgevende macht,
de uitvoerende macht en de gerechtelijke macht. Dit zijn de Trias Politica.
Het parlement controleert de regering. De rechter oordeelt over de toepassing
van de wet. Deze machten zijn gescheiden om te voorkomen dat de politieke
machthebber ook rechter in eigen zaak wordt.
--- Een kernvraag voor politici, publiek en media is hoe te bepalen wat wetenschappelijk verantwoord is. Niet iedere econoom heeft de kwaliteiten van Tinbergen (voorzover al naar hem geluisterd werd). Sommige belastingwetenschappers hebben de belastingvrije voet verwaarloosd, anderen geven af op de hoge marginale tarieven, weer anderen hadden onjuiste kritiek op het belangwekkende het “plan-Bakhoven”, velen waren er überhaupt mee onbekend en kwamen met de eigen analyses. Gelauff in zijn proefschrift rekent verhoging van de voet heel anders door dan hier wordt voorgesteld. Men wordt aldus overstelpt met een kakofonie. De voorgaand samengevatte analyse is ook maar ontstaan na jaren econometrische arbeid, en niet iedereen kan dat herhalen of van anderen beoordelen. Als antwoord op de kakofonie zou doof-zijn een overlevingsstrategie zijn, maar dit past helaas niet in het ideaalbeeld van onze cultuur en democratie. Om die reden zijn er diverse instellingen die de informatiestroom reguleren. Hier zijn we weer op het terrein van het organisatievermogen van onze democratie. Een belangrijke speler in de Nederlandse economische beleidsvoorbereiding is het CPB. Het blijkt dat het CPB helaas geen wetenschappelijk instituut is, en, mede daardoor, onvoldoende beveiligd tegen de werking van interne of externe taboes. Extern wordt een potentieel nuttige rol van het CPB gemangeld door een verkeerde scheiding van machten binnen de Trias Politica. Het voorbeeld is hier de al 25 jaar voortdurende massale werkloosheid. Intern is er een gerelateerd voorbeeld van meer recente datum. De huidige directie van het CPB misbruikt aantoonbaar arbeidsrechtelijke middelen om de inhoud van de discussie van zijn wetenschappers te sturen. Deze directie heeft onder meer in 1990 publicatie van een artikel over het onderhavige onderwerp, de werkloosheid en het maatschappelijk organisatievermogen, tegengehouden. Deze censuur is in 1993 door de rechter vernietigd. Inmiddels is een nieuwe grond gegeven om de publicatie tegen te houden, en ook die grond deugt van geen kant. Voorbeelden als dit staan niet op zichzelf. Bizar is dat in 1989 nadat een top-ambtenaar van EZ tot directeur van het CPB was benoemd, de nieuwe directie verklaarde dat het CPB een “onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut” zou zijn - in strijd met de wet, de praktijk, de opinies van wetenschappelijke economen, en het eigen gedrag. Mijn analyse en advies was in 1990 en blijft in 2001 dat als het parlement consistent wil blijven, het een enquête moet houden naar de zo’n 25 jaar voortdurende massale werkloosheid en de voorbereiding van het economisch beleid, en daarbinnen in het bijzonder naar de rol van het CPB. De enquête zou de aanpak van de werkloosheid versnellen. In 1989/90 was mijn raming dat het zonder enquête zo’n tien jaar zou duren. Een en ander is voorstelbaar zonder zo’n enquête en zonder aanpassing van het CPB. Op grond van de informatie van dit opstel kunnen politici altijd aan de gang gaan en mogelijk wat nuttigs verzinnen. Evenwel zijn de misverstanden en belangen rondom de werkloosheid uitermate groot, en de voordelen van een enquête zijn evident. Overigens kan ook de Eerste Kamer een enquête instellen. Waar
juist ook de rol van de Tweede Kamer binnen het geheel relevant is, is
het belangrijk deze mogelijkheid te zien.
Het advies tot de enquête naar het CPB betreft juist dit. Na de tweede wereldoorlog hebben diverse landen economische adviesinstellingen opgericht. Bijv. in de USA de CEA (Council of Economic Advisers), in Nederland het CPB. Welbeschouwd was dit een voorzichtige institutionalisering van het ‘luisteren naar Keynes en Tinbergen’. Het heeft bijgedragen tot een grotere mate van rationaliteit en bescherming van de bestaanszekerheid van de burgers. Een herhaling van de Grote Depressie is voorkomen, we hebben slechts de Grote Stagflatie gehad. Met deze constatering is echter wel de positie van dergelijke instituten
- voor Nederland het CPB - te heroverwegen. Een grotere scheiding van machten
dan de Trias Politica is gewenst. De grondwettelijke uitbreiding met een
wetenschappelijk gefundeerd en dus onafhankelijk Economisch Hof is gewenst.
Dit is geen perfectionisme maar een kleine doch democratisch cruciale stap.
Ook in de rechtsspraak, met de Hoge Raad, zal niet alles perfect geregeld
zijn, maar dat heeft onze voorouders er niet van weerhouden om een en ander
toch maar zo te regelen. Hoe voorzichtig ook we zelf ten aanzien van nieuwe
regelingen zijn geworden, het economisch bestuur van het land blijkt evenzeer
bepaalde waarborgen te vereisen.
Literatuur:
Hans Hulst en Auke Hulst m.m.v. Thomas Cool (1998), “Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt”, Thesis Publishers, ISBN 90-5170-447-X |