De volgende eeuw werpt zijn schaduw reeds vooruit. In 1990 telde de wereld nog 5 miljard mensen, in 2020 zullen het er 8 zijn, en iets later 10 of zelfs 12. (1) Bij onveranderd beleid kunnen we rekenen op ecologische overbelasting, hongersnoden, epidemieën, oorlogen en andere rampen.
De mensheid heeft geleerd vooruit te kijken. We zaaien nu om straks te oogsten. We hamsteren nu om straks de winter door te komen. Wie nu een kind of kleinkind geboren heeft, vraagt zich af in wat voor een wereld het zal leven. In de opmaat van de komende eeuw staan mensen niet stil. Mensen kijken vooruit en gaan op z’n minst voorsorteren. Echter, wanneer iedereen gaat voorsorteren, dan lukt dat niet op dezelfde plek. Het gevaar is dat chaos zich met chaos voedt.
Binnen dit geheel is de militaire rekenkunde belangrijk. Het militaire principe is dat men op veiligheid speelt. In een ondemocratische uitgangssituatie betekent veiligheid vooral eigenbelang. Menig generaal zal een preventieve oorlog prefereren boven de risico’s van voorspelbare hongersnoden en epidemieën en daaraan verbonden politieke onrust. Wanneer je gelooft dat anderen aan een preventieve oorlog denken, is vermoedelijk een pre-preventieve oorlog verstandig. De oorlogen in Joegoslavië en Ruanda zijn maar kleine voorbeelden van wat deze militaire rekenkunde op wereldschaal kan gaan betekenen.
Angst speelt reeds een rol in de westerse wereld. Er is een begrijpelijke angst voor werkloosheid en inkomensverlies. In de OESO, het verband van de rijke landen, zijn in 1994 zo’n 35 miljoen werklozen. Wie nu de school verlaat, heeft vooralsnog (2) minder kansen dan de ouders destijds - en weet dit. Het westen is politiek in beweging. De proteststem richt zich tevens tegen bureaucratie, betutteling en corruptie. Ook in het westen heeft de volgende eeuw al een voet tussen de deur.
Het voorgaande stemt tamelijk pessimistisch. Wat zegt de wetenschap over de uitkomst van het krachtenspel ?
Juist optimisme blijkt verantwoord. Nimmer in de geschiedenis waren zoveel mensen zo rijk en zo goed opgeleid. Er is een toenemende vrijheid tot het stellen van critische vragen en het kiezen van een eigen positie. Er is een rijkdom aan informatie. Er is een toevloed aan wetenschappelijke ontdekkingen. Vermoedelijk komen de belangrijkste impulsen de komende tijd niet vanuit technisch-wetenschappelijke hoek maar vanuit de menswetenschappen. (3) En doorslaggevend geldt: dat de economische vervlechting toeneemt, die ons dwingt tot samenwerking. Met name door die wederzijdse afhankelijkheid zullen ontwikkelingen traag maar gestaag de goede kant uitgaan.
Hoe belangrijk dit optimisme ook is, geluk komt echter niet uit de lucht vallen. Mensen die de veiligheid, welvaart en vrijheid van henzelf, hun kinderen en kindskinderen nastaan, zullen deze toch vooral moeten scheppen en verdedigen. Zij moeten voorsorteren op het verkeerde voorsorteren van anderen. Achteroverleunen en toekijken is onverstandig. Het betere alternatief is, je verantwoordelijkheid nemen.
Meer helderheid over het sociaal liberalisme kan mensen helpen deze - hun - verantwoordelijkheid te nemen. Vandaar deze bespreking.
Twee kenmerken van het sociaal liberalisme staan hier centraal. Het eerste kenmerk is het evenwicht van sociale en liberale elementen, en juist ook de combinatie. Het tweede kenmerk is de nadruk op het wetenschappelijke element. Van de wetenschap zijn inhoudelijke aspecten van belang alsook de wijze waarop politieke partijen met wetenschap omgaan.
Deze presentatie is natuurlijk een keuze. In een ander opzicht hebben we echter weinig keus. Optimisme ten aanzien van de toekomst moet spontaan zijn. Anders gedijt hij niet. Het is de scheppingsdrang van de mens die de aarde omwoelt, de emotie die opwelt bij het horen van prachtige muziek. Het is de levenskracht, de ontroering van een kinderhand. Daar gaat het om. Maar die spontane gevoelens zijn dwaas wanneer ze geen toekomst hebben en naar de afgrond leiden. Levenslust is alleen met recht ongeremd wanneer we ook weten dat het goede leven een kans heeft. Het menselijk leven heeft alleen zin wanneer die wereldproblemen beheersbaar zijn. Dus komt de wetenschap ter sprake.
Een oud Chinees gezegde verwoordt het zo:
Economie is huishoudkunde, van het Griekse ‘oikos’ huis/landgoed en ‘nomos’ wet. De politieke economie is de staathuishoudkunde, derhalve de wetenschappelijke leer van het beheer van de staat. Wanneer Hans van Mierlo bij de formatieonderhandelingen 1994 vermoeid opmerkt dat hij zes weken alleen economie heeft gesproken, dan mag hem dat eigenlijk niet verbazen.
Wel verbaast het, dat er in dit tijdsgewricht relatief weinig economen deel uitmaken van de Tweede Kamer. Een deel van de verklaring is dat economie steeds wiskundiger is geworden. In de oudheid was boven de poort van de Griekse Akademia gebeiteld "alleen wie geometrie kent, trede hier binnen", tegenwoordig is wiskunde helemaal in het onderwijs ingebakken. Wiskunde blijkt gangbare politici eerder af te stoten dan aan te trekken. (5)
Als de wetenschap van het staatsbeheer heeft de staathuishoudkunde onze aandacht. De meeste politieke bewegingen hebben hun weerslag gevonden in of gingen gepaard met vernieuwingen in de staathuishoudkunde. Dat geldt in het bijzonder voor het liberalisme.
Vanzelfsprekend zijn de interacties tussen politieke en maatschappelijke processen enerzijds en de wetenschappelijke inzichten anderzijds complex. Mogelijk hebben maatschappelijke processen hun eigen dynamiek en gebruiken politici alleen die theorieën die hen uitkomen. Mogelijk ook hebben inzichten van wetenschappers als Adam Smith en Jan Tinbergen toch een eigen impact op het geheel. We duiden hier slechts een grote lijn t.a.v. het liberalisme.
Het ‘primaire’ liberalisme stelt dat de mens slechts voor zichzelf leeft of moet leven. De leuze is: ieder voor zich en God voor ons allen. Relaties tussen mensen worden bepaald door de ruil. De primaire liberaal zoekt en vindt overal een ruil; en ruil vindt zijns inziens alleen plaats omdat het voor de betrokkenen het maximaal haalbare is. Rond 1800 had het liberalisme - en juist ook dit primaire element - een sterke emancipatorische invloed. Het (primaire) liberalisme verschafte de burgerij een legitimatie om de nieuwe eigen macht te gebruiken en in verzet te komen tegen de oude aristocratie. Tegen 1848 was het primaire liberalisme al een caricatuur. Sociale inzichten die Adam Smith reeds in 1776 formuleerde, kregen meer aandacht. Bijvoorbeeld Thorbecke benadrukte andere, organische, elementen. Marx & Engels schreven in 1848 het "Communistisch Manifest", en ontwierpen hun "wetenschappelijk socialisme".
Het is evident dat mensen groepsdieren zijn. "No man is an island." Mensen zijn primaten. Gezelligheid, meeleven, jaloezie, de voetbalheld op de schouders tillen, met je loonschaal of hoofddoekje niet uit de toon willen vallen, .... de schier onvermijdelijke zondebok ... het hoort er allemaal bij. Van belang is blijkbaar toch hoe politiek en wetenschap dit inzicht invullen, en hoe die invullingen zich tot elkaar verhouden.
Het primaire liberalisme kan wiskundig worden weergegeven met individuele ‘nutsfuncties’. Individuen worden geacht hun nutsfunctie te maximeren over hun mogelijke activiteiten. Dit wiskundig model kwam juist in de jaren na 1848 tot ontwikkeling, en verschafte primaire liberalen, die onder vuur lagen, munitie voor verdediging. Evenwel, dat eenvoudige wiskundige model is onbevredigend. Op wiskundig economische wijze wordt reeds decennia onderzoek gedaan naar de gecompliceerde nutsfuncties, waarin mensen niet alleen gemotiveerd worden door hun eigen consumptie, maar ook door de consumptie van anderen, en door de nutsfuncties van anderen. In Nederland bijvoorbeeld heeft Tinbergen er reeds rond 1956 aan gewerkt, en later ook Hennipman. Een dergelijk niet-egoïstisch model van de mens is vertrekpunt voor het sociaal liberalisme.
Een aanbevelswaardig boek (6) bespreekt de drie hoofdstromen van politiek Nederland: liberalen, confessionelen, socialisten. Een van de belangrijkere stellingen is dat alle (Nederlandse) stromingen na verloop van tijd - a.h.w. bij het volwassen worden - neigen tot een organi(cisti)sche visie op de samenleving. Van Doorn schrijft:
p59: "In een gecompliceerde samenleving als de onze, waarin op duizend punten overheid, bureaucratie en maatschappij met elkaar zijn vervlochten tot een ‘interventiestaat’ (...) kan politiek geen groots en meeslepend avontuur meer zijn. (...) En wat door Bank is getypeerd als de ontwikkeling ‘van maatschappij-beschouwing naar beleidsnota’ (...) is terecht van algemene toepassing verklaard. De professionalisering en verwetenschappelijking van de politiek, aldus de auteur, heeft de partijen gemaakt tot ‘gediplomeerde leveranciers van beleidsopties’. (...) De term beleid is in dit hele proces een sleutelbegrip. Het heeft niets van wat voorheen de politiek karakteriseerde: utopieën, idealen, visies, maatschappijbeelden, doctrines, tradities; evenmin geeft beleid veel ruimte aan dat andere aspect van democratische poltiek: politieke verbeeldingskracht, onafhankelijk oordeel, persoonlijke overtuigingskracht, government by discussion. Beleid daarentegen is koel, rationeel zo mogelijk kwantitatief onderbouwd, specialistisch, vaak wetenschappelijk of voorgewend wetenschappelijk gefundeerd. Beleid staat voor technocratie. Dat houdt geen veroordeling in. Politiek is niet autonoom maar weerspiegelt de aard en de ontwikkeling van het maatschappelijk bestel."
Het denken in termen van beleid is historisch heel goed te plaatsen. Reeds Socrates, Plato en Aristoteles vonden dat moraliteit in de eerste plaats pragmatisch is. Een mens is beperkt. Hij heeft geen goddelijke kennis van de hoogste morele principes en goedheid. Een mens zit in een grot met de rug naar de ingang en ziet slechts schaduwen van de werkelijkheid buiten die grot. Een mens worstelt met het beperkte wat hij kan overzien. Maar hij blijft moreel. De relevante morele vragen die een mens kan en moet stellen zijn: hoe, wat, wie en waar. Het maatschappelijk debat is ermee gediend om voortdurend de morele verantwoording te blijven verlangen van juist ook kleine en overzichtelijke onderwerpen. Dat is eigenlijk de beleidsnota - hoewel vermoedelijk beter geschreven dan momenteel gangbaar is.
In de jaren ‘30 was er in Amerika een beweging van wetenschappers en ingenieurs die heel loffelijk een aantal maatschappelijke problemen wilde oplossen. Ze noemden zichzelf ‘technocraten’. Deze beweging heeft een slechte naam gekregen, hoewel het nodige van hun gedachten in de loop der tijd overgenomen is.
Ik kan me heel goed een logisch raamwerk en wiskundig model voorstellen van een organisch groeiproces. Zo’n calcuul is nuttig om over het proces te praten en te besluiten. Vanzelfsprekend verschilt het echte organische proces van het model, en is de menselijke ervaring zelf ook weer anders. Ik zie hier ruimte voor het zoeken van evenwicht, eerder dan die onoverkomelijke tegenstelling die Van Doorn suggereert.
De verwijzing naar het onderzoek van altruïstische nutsfuncties, de citaten van Van Doorn en de verwijzing naar het pragmatisme van de oude filosofen, verduidelijken dat er een sociaal liberalisme kan bestaan.
Er hoeft geen tegenstelling te zijn tussen theorie en ethiek, zoals Van Doorn suggereert, wanneer die theorie juist heel sterk op die ethiek betrokken is, en wanneer de theorie benadrukt dat de mens een sociaal en ethisch bevlogen dier is. Ook om die reden heeft het sociaal liberalisme (zeker in Nederland) een natuurlijk bestaansrecht.
Toch kunnen velen zich geen sociaal liberalisme voorstellen en achten het innerlijk tegenstrijdig. Dit komt voor een deel door de politieke strijd tussen liberale partijen en socialistische of sociaaldemocratische partijen, waardoor in de beleving van velen het liberalisme is verworden tot een simpel ‘primair’ liberalisme. Tegelijkertijd is de beschuldiging van innerlijke tegenstrijdigheid zeer goed voorstelbaar, omdat er wel degelijk een aantal problemen van logische aard bestaan. Hier is het inzicht echter dat die logische problemen zich wel laten oplossen wanneer de woorden met zorg gekozen worden.
We bekijken hier enkele voorbeelden:
Het sociaal liberalisme krijgt gezicht door enkele concrete voorstellen te noemen die onlangs in discussie zijn gebracht: (8)
De maatschappelijke discussie in deze dagen komt tamelijk verstard over. (10) Dat is meer vertoond. Van belang blijkt de rol van de wetenschap.
Die verstarring hangt samen met de relatie tussen liberalen en socialisten. De briljante economist en liberaal John Maynard Keynes heeft de Engelse Labour Party ooit aangeduid als the party of Catastrophy. (11) In reactie op het verlies van Labour in 1992 bepleitte The Economist van 18 april 1992 voor die partij een terugkeer naar de liberale principes van William Gladstone van een eeuw geleden. De studie van Siep Stuurman naar de (sociaal) liberalen in Nederland (12) geeft ook voor Nederland het beeld dat verlichte geluiden bij de liberalen van vorige eeuw verloren gingen tegelijk met de opkomst van de socialisten.
Wat in de studie van Stuurman opvalt, is de intensiteit waarmee de Nederlandse liberale politici van vorige eeuw zich met de wetenschap bezighielden. Stuurman is hier ongetwijfeld selectief, want hij richt zich op geschreven bronnen, waarbij de interesse voor kwaliteit evident is. Maar het aangedragen materiaal maakt zonder meer duidelijk dat het een belangrijke activiteit was en dat men die activiteit als belangrijk ervoer. Tegenwoordig is dat nauwelijks het geval. Bekijk vervolgens de socialisten. Gegeven Marx’s "wetenschappelijk socialisme" kan niet beweerd worden dat socialisten de wetenschap als optie verwaarloosd hebben. Veel goede wetenschappers zijn sociaal-democratisch geaffilieerd. Toch ontbreekt in onze tijd ook hier de wetenschappelijke bezieling in het politieke debat.
Hier lijkt een goede verklaring te bestaan voor de huidige matheid in het politieke debat. Tegenwoordig ontbreekt de wetenschappelijke bezieling daarin überhaupt. Het is niet zozeer de beleidsnota-cultuur die ons dwars zit. Het punt is dat het ambtelijke nota’s zijn en geen wetenschappelijke.
De situatie is zelfs zo erg, dat alleen al deze laatste stelling velen vreemd in de oren zal klinken. Tegenwoordig bestaat immers de neiging om wetenschap en politiek ‘gescheiden’ te houden. Dat is althans het dogma, hoewel de praktijk minder fraai is. Maar het dogma in zijn huidige vorm deugt nog minder dan die praktijk.
Er is natuurlijk een wezenlijk onderscheid tussen wat Is (wetenschap) en wat Moet (politiek), de kloof tussen Sein en Sollen. Dit zijn logische categorieën en geen personele. Echter, het hedendaagse misverstand is dat dit logische onderscheid juist persoonlijk ingevuld moet worden. Politici ‘zouden’ geen wetenschappelijke uitspraken kunnen en behoren te doen, en wetenschappers ‘zouden’ zich verre van de politiek moeten houden.
Wat beter is, en opvalt aan vorige eeuw, is dat politici juist wetenschappelijk pogen te onderbouwen hoe, wat, wie en waar ze iets willen. Bij zo’n taakopvatting hebben politici er zelf belang bij om het logische onderscheid tussen Zijn en Moeten helder aan te brengen. Het onderscheid blijft zodoende logisch, en niet personeel van aard. Op deze wijze kunnen andere wetenschappers ook gemakkelijk op argumentaties inhaken, en kunnen zij de politieke rol vervullen die voor hen is weggelegd: soms vertellen dat de keizer geen kleren aanheeft. Voor de goede orde: het is dus niet de bedoeling dat wetenschappers de politiek binnen hun vakgebied binnenhalen. Het gaat erom dat de politici wetenschappelijker worden.
De afgelopen twintig jaar is het met name de wetenschappelijke gemeenschap geweest die aanhoudend en geduldig problemen heeft onderzocht en onder de aandacht gebracht. We kunnen hier met name denken aan het probleem waarmee we deze bespreking begonnen, de gevaren voor het voortbestaan van de wereld zoals we deze kennen. Zonder die wetenschappers wisten we niet eens wat de wereld te wachten zou kunnen staan. Deze critische rol van de wetenschap kan en moet versterkt worden, met name doordat politici meer waarde aan het wetenschappelijke argument gaan hechten. Het negeren van de critische rol van de wetenschap heeft al tot twee wereldoorlogen geleid. Is het echt nodig dat de wereld tot nieuwe rampen gevoerd wordt, langs de weg van overbevolking en dus oorlog om schaarse middelen ?
De politiek heeft de macht naar zich toegetrokken en deze gevuld met navelstaarderij. Hoe dichter men bij de macht komt hoe meer het gedrag lijkt op dat van een kleuterklas. Tegelijkertijd bestaat er elders een groot reservoir van kennis en ervaring dat niet afgetapt wordt. Het is zaak dat reservoir wel af te tappen, en dus een grotere rol voor de wetenschap te vinden. Het zal wel toekomstmuziek blijven dat we kamerleden en ministers krijgen die geleerde artikelen schrijven, en die uit zichzelf hoor en wederhoor toepassen. Zonder op die muziek vooruit te lopen kunnen we nu reeds proberen de ijzeren ring rond parlement en ministerraad open te breken, en ervoor zorgen dat de informatie en discussie toegankelijk worden voor wetenschap en de media. Wanneer de wetenschap vervolgens de media critiseert, is een nuttig proces opgestart.
Deze benadering van wetenschap, en ook het pleiten voor versterking van de positie van de wetenschap, is vanzelfsprekend niet exclusief aan het sociaal liberalisme voorbehouden. Toch is het opvallend dat andere groeperingen er relatief veel minder aandacht voor hebben. (13)
Versterking van de wetenschap is een verrassend moeilijk punt. De geschiedenis laat zien dat wetenschap en het grote publiek elkaar eerder beloeren dan bejuichen. Het grote publiek heeft argwaan tegen wetenschap, want wetenschap lijkt toch verantwoordelijk voor atoombommen en zenuwgas. Wetenschappers geven liever geen ongevraagd advies, want daar wordt toch niet naar geluisterd. Wetenschappers hebben een weerzin om complexe zaken versimpeld weer te geven. Wanneer ze zien dat de keizer geen kleren aanheeft, dan aarzelen ze om dat hardop te zeggen, want ze willen geen ruzie met de keizer - juist omdat ze van het grote publiek geen steun krijgen. In dit spanningsveld zijn er twee duidelijke gevaren, de aloude antiwetenschappelijkheid en het doen voorstellen alsof wetenschap tot een dictatuur zou leiden.
We hebben nadruk gelegd op de rol van de wetenschap. Bij alle belangen en spanningen is de wetenschap onontbeerlijk, zowel voor de aandacht en rust van de beschouwing, als om het resultaat van een toegenomen inzicht. Een verhoogd samengaan van wetenschap en politiek is geboden, met name in die zin, dat politici meer aandacht schenken aan resultaten van de wetenschap en dat zij zich meer aan de tucht van het wetenschappelijk debat onderwerpen.
Het sociaal liberalisme is hier belicht als een politieke stroming die zo’n plaats toekent aan de wetenschap, en die op inhoudelijke argumenten een overstijging zou zijn van primaire liberale en socialistische visies.
Het politieke proces verloopt vooralsnog stroef. Het probleem met briljante mensen als Keynes is dat ze niet snel begrepen worden. Bestaande partijen hebben hun eigen traditie en interne dynamiek. Waar sprake had moeten zijn van een interne evolutie en convergentie, ontstaat veeleer de externe verkiezingsstrijd - met name weer tussen liberalen en socialisten/sociaaldemocraten. Onze tijd wordt echter hoopgevend gekenmerkt door massa-onderwijs en een overvloed aan communicatiemiddelen. Wellicht is het opleidingspeil nu voldoende gestegen. Wellicht kan de draad van de vorige eeuw weer opgepakt worden en kan de geschiedenis van het sociaal liberalisme (weer) zijn beloop krijgen.
Juni 1992, 1994
Thomas Cool
Opgenomen in Trias Politica & Centraal Planbureau, 1994
Een econoom zal de nutsmaximerende abstractie van het menselijk handelen altijd in het achterhoofd houden, wat er ook gezegd wordt door andere vakgebieden zoals de sociale psychologie of de moraalleer. Tegelijk zijn die andere vakken toch ook wetenschappen en kunnen ze het begrip dus verrijken. Een paar recente boeken van Aronson (14) en Wilson (15) zijn hier voortreffelijk.
Beide auteurs plaatsen het menselijk gedrag expliciet in de sociale context. De populaire verwijzing is hier Aristoteles die de mens reeds een sociaal dier noemde. Dat je nadruk legt op ‘sociale’ aspecten of daaraan een bepaald gewicht ontleent, is overigens in belangrijke mate een definitiekwestie. Waar bijvoorbeeld de ene wetenschap (handels-) concurrentie ofwel de strijd van het ene individu tegen het andere ziet, ziet de andere wetenschap een mechanisme om sociale kwesties te regelen. Waar hetzelfde proces beschreven wordt, zijn woorden niet zo belangrijk, en gaat het erom het proces te beschrijven, te verklaren en te voorspellen. In die zin is econometrie hier al het overkoepelende vakgebied. Het nadrukkelijke accent op het ‘sociale’ karakter van de context van het menselijk handelen lijkt daarom meer ideologisch getint. Dit kan wel een goede tegendosis zijn tegen de ideologische mode van de individualisering.
Aronson, hoogleraar psychologie bij UCSC, geeft resultaten van zo’n 40 jaar sociale psychologie, zowel in uiterst toegankelijk Engels, als via een selectie van tijdschrift-artikelen die in de sociale psychologie tot de klassiekers zijn geworden. Hier is het experiment van Milgram, waarin mensen anderen electrische schokken toedienen. Hier is het experiment van Asch, waarin iemand alleen onder de druk van ‘waarnemingen’ van zes anderen gaat zeggen dat twee duidelijk verschillende lijnstukken toch even lang zijn. Hier is de nagespeelde gevangenis die al na zes dagen stopgezet moest worden. De 22 studenten waren met de dobbelsteen aangewezen als cipier of gevangene, vijf gevangenen moesten tussentijds weggestuurd worden wegens "extreme emotional depression, crying, rage and acute anxiety", terwijl cipiers stipt op tijd op het werk verschenen en graag overwerk deden. Hier zijn studies over de mensen die auto-ongelukken beschrijven in termen van "de lantaarnpaal kwam op me af" en "die voetganger schoot onder mijn auto". Mensen die een lezing geven, moeten weten dat het begin het duurzaamste effect heeft, maar het slot heeft tijdelijk op korte termijn het hevigste effect. Dus aan de vooravond van de verkiezingen beginnen met "de noodzaak van bezuinigingen" en afsluiten met "stem op mijn partij", en niet andersom. Voor economen is van belang dat wanneer het onderscheid tussen producten gering is, dat de aankoop vooral toevallig geschiedt, en reclame wordt pas na aanschaf gelezen, met name om de keuze te rationaliseren, hetgeen de mogelijkheid biedt merkentrouw te cultiveren.
Wilson, hoogleraar Management & Public Policy bij UCLA, verzet zich tegen een overmatig waardenrelativisme en verdedigt de menselijke moraliteit. Hij plaatst zijn argument in de traditie van het meningsverschil tussen Hobbes en Smith. De basis van de maatschappelijke orde was volgens Hobbes alleen angst en volgens Smith de intermenselijke sympathy. Hobbes lijkt de laatste eeuw de wind mee te hebben. Tenminste, antropologische studies laten zien dat mensen allerlei waarden kunnen hebben. We worden overspoeld met berichten over geweld en uitbuiting. Dit lijkt tot de conclusie te leiden dat alles kan en dat er geen richtsnoer is, behalve onze eigen overlevingsdrang en individuele nutsmaximering.
Wilson ziet het anders. Het typische van berichten over geweld is, dat ze de krant halen, dat ze nieuwswaardig zijn, en dat ze ons schokken en blijven schokken. Geweldplegers hebben abnormale achtergronden en affectie-stoornissen: hetgeen betekent dat gewoon anders is. Volgens Wilson kun je het morele debat beter voeren door het morele karakter van het menselijk bestaan fundamenteel te erkennen.
Wilson acht Smith’s sympathy gedateerd, en breidt het bewijsmateriaal uit met bevindingen van diverse wetenschappen. Hij benadrukt het onderscheid tussen oorzaak en verschijningsvorm. De analogie van software en hardware lijkt me hier geschikt. Volgens Wilson hebben we op laag biologisch niveau niet alleen driften ingebouwd gekregen, maar ook sociale. Sociale aandriften bestaan al op lymbisch niveau en niet slechts in de neocortex, zodat er ook een gelijkwaardige lymbische strijd bestaat tussen de verschillende aandriften.
Wilson’s boek bevat een aantal leuke weetjes, zoals dat mensen van het Kaukasisch ras met blauwe ogen tot introvertie en met bruine ogen tot extravertie neigen, en dat kinderen die nauw met elkaar opgroeien moeilijk verliefd op elkaar worden (hetgeen bedreigend is voor het voortbestaan van kibboetsen). Problematisch is dat hij vogels ergens zoogdieren noemt, en wonderlijk is dat hij niet naar Aronson verwijst. Jammer is ook dat hij bij bespreking van de kloof tussen Sein en Sollen niet de oplossing van economen noemt, om beide op te vatten als aparte dimensies (en uit waarneming van gedrag (Sein) een nutsfunctie (Sollen) te schatten en daarmee gedrag (Sein) weer te voorspellen).
Evident is dat de mens een moeilijk onderwerp is, en dat een paar boeken
niet de volledige waarheid bestrijken, ook al kunnen ze de gedachten zeer
verrijken.